Grens oude (1786) en nieuwe deel (1858)
Op deze plek ligt de afscheiding tussen het uit 1786 daterende deel en de in 1858 gerealiseerde uitbreiding.
Het oudste deel liep vanaf de toenmalige ingang aan de Stationsstraat, inclusief de nog steeds bestaande maar nu aan de Lingedijk geplaatste poort, door tot aan de muur. Het oudste deel was ontworpen in de strakke, Franse stijl en bestond uit 4 rijen graven, een pad, en weer 4 rijen graven. Maar als snel na de ingebruikname werd ook dat pad, waarschijnlijk om economische redenen, geheel bezet met graven.
Het oudste deel was omgeven door een ‘gragt’ en een haag. De huidige muur aan de noordkant werd overigens pas rond 1955 opgemetseld. Op het oudste deel is nog een aantal grafzerken te vinden met de oorspronkelijke nummers. Het ontwerp van de uitbreiding in de Engelse landschapsstijl was van de hand door Karel George Zocher.
Karel George Zocher (Haarlem 11 november 1797 — Utrecht 18 november 1863), die zijn Duits klinkende doopnaam Karl (of Carl) Georg in het Nederlands had laten omzetten, was het zesde kind van (tuin)architect Jan David Zocher sr. en Maria Christina Michael.
Na het plotselinge overlijden van zijn vader in 1817 kwam Karel George als minderjarige onder voogdij te staan van zijn broer Jan David jr. Op dat moment had Jan David jr. reeds naam gemaakt als landschapsarchitect en Karel George trad toen al op als zijn rechterhand.
In het Huisarchief Twickel is te vinden dat Karel tussen 1830 en 1835 regelmatig naar dat Twentse landgoed werd gestuurd om daar opdrachten voor zijn oudere broer uit te voeren. Dit leidde echter tot onvrede van opdrachtgever baron van Heeckeren, die het vakmanschap van Jan David jr. aanzienlijk hoger inschatte dan dat van de slechts vijf jaar jongere Karel George. De baron besloot daarom op zijn strepen te staan en nam de ganzenveer ter hand met de volgende, in december 1835 aan Jan David jr. gerichte, gepeperde brief als resultaat.
“Hierbij nog komt het salaris, dat even hoog wordt berekend, ook wanneer UwE. niet zelve overkomt doch iemand zendt om de gegeven last uit te voeren, doch wien men niet kan consulteren, als laatstelijk nog bleek, toen ik mijn Rentmeester had opgedragen, een geschikte plaats te vragen, tot het plaatsen van twee vasen. Intusschen verzoek ik UwE. wel te begrijpen, dat in deeze aanmerking niets persoonlijks ligt gelegen, tegen UwE. Heer Broeder.”
Jan David Zocher jr. liet dat niet op zich zitten en reageerde vrijwel per ommegaande:
Wat de reiskosten betreft welke ik bij Ziekte, of andere noodzaak door mijn broeder laat verrigten, ik zond hem nimmer als met mijn bepaalde orders, en wel overtuigd, dat hij dezelve kon uitvoeren, ik doe zulks ook bij gelegenheid op alle werken, en kan daarin niet wel andere schikkingen maken.
Daarna leek de zaak gesloten.
Behalve als uitvoerder van opdrachten voor zijn broer, was Karel George ook als zelfstandig ondernemer actief. Zo was hij al in 1825 betrokken bij werkzaamheden op het landgoed Landfort in de Gelderse Achterhoek. Toen hij in 1839 in Utrecht met Maria Cornelia Sikkel in het huwelijk trad, kon in de huwelijksakte dan ook als beroep architect worden opgenomen.
Van Karel George zijn zestien tuinarchitectuurprojecten bekend, waarvan de ontwerpen van de buitenplaats Schoonoord in het Zeeuwse Oostkapelle (1835) en het Stadswalplantsoen van Tiel (1838) de eerste waren. Van Schoonoord is de originele ontwerptekening voor de parkaanleg bewaard gebleven, dat inclusief zijn ondertekening met Karl George, Architect te Utrecht. Voor deze buitenplaats ontwierp hij niet alleen het park, maar ook de gebouwen.
Andere grote projecten waar Karel George Zocher aan werkte, waren het omvormen tot wandelparken van de stadswallen van Middelburg (1841–1847), Hoorn (circa 1840), Purmerend (1839 en 1861), Tiel (1838–1850) en Wageningen (1854 en 1859). Ook maakte hij ontwerpen voor de nog bestaande buitens Oldenaller, in de omgeving van Putten (1850), Blikkenburg, inclusief een landhuis, bij Zeist (1852) en het helaas verloren gegane buiten Welbehagen bij Rotterdam.
Karel Georges ontwerpen hebben alle de kenmerken van de Engelse landschapsstijl, maar hebben meer dan bij zijn broer het geval is het uiterlijk van een tuin met bloemperken. Uit de rekeningen van 1852 blijkt dat hij voor de buitenplaats Blikkenburg een groot assortiment aan bloeiende heesters had besteld, dat in uitgebreide bloemvakken moest worden geplaatst. Op de plantlijst stonden dahlia’s, stamrozen, verschillende bloemplanten, rozenstruiken, azalea’s, rododendrons, hortensia’s, maandrozen, lage bloemstruiken, verschillende soorten stokrozen, pioenrozen, groenblijvende struiken, sparren, lariksen, zilversparren en gewone sparren. Ongetwijfeld werd een aantal daarvan ook in Tiel toegepast!
