Joodse Begraafplaats
De begraafplaats werd in 1827 aangelegd, werd twee maal uitgebreid (1866/1877 en 1994) en biedt ruimte aan meer dan 350 graven. Er resteren nog ca. 240 matsevot (grafmonumenten).
De begraafplaats kent 4 vakken:
= A links achter metaheerhuisje (1828 – 1877)
= B links achteraan (1930 – 1998)
= C rechts van metaheerhuisje (1877 – 1930)
= D tegen de taxushaag (2… – ….)
Dit Bet Chaim (Huis van het Leven), ook wel Bet Olam (Huis van de Wereld) of Bet Kevarot (Huis der Graven) genoemd, dateert uit 1827.
Op 5 mei van dat jaar werd namelijk het verzoek van de kerkmeesters van de Joodse Gemeente Tiel ingewilligd betreffende de aanleg van een begraafplaats aan de ‘Molenwerf’ onder Zandwijk (een dorpje ten noordoosten van Tiel). De ‘hof’ van J. Campagne werd voor ƒ 325,- aangekocht.
Een voorwaarde was dat ieder jaar 4% van de opbrengst van het erf aan de gemeente Tiel moest worden betaald.
Via het aan de Visserstraat gelegen metaheerhuisje kwam men op de begraafplaats. Daarin vonden vroeger de rituele wassingen plaats, inclusief het omkleden van de overledene in de doodskleding, en vindt nu nog steeds het uitspreken van de hespeed, de lijkrede, plaats.
Joodse begraafplaatsen werden van oudsher (op een enkele uitzondering na, zoals in Winterswijk) buiten de bebouwde kom aangelegd, zo ook in die geval: hij lag zowel enkele tientallen meters buiten de stadsgracht die toentertijd de grens van de stad Tiel vormde als de enkele ‘opstal’ van het dorpje Zandwijk.
De begraafplaats, in 1827 qua omvang bescheiden van omvang met ruimte voor ongeveer 170 graven volwassenen en enkele tientallen kindergraven, ligt op de zandrug van de Dode Linge.
De Kehila (Joodse Gemeente, in het Jiddisch Kille genoemd) van Tiel telde toen inmiddels rond de tweehonderd leden en wilde graag een ‘eigen dodenakker’.
Tot dan werden overleden Joodse Tielenaren vooral begraven in Buren waar, aan de Aalsdijk, al vanaf de 17e eeuw een grote Joodse begraafplaats gelegen is. Alhoewel niet meer in gebruik is hij nog steeds aanwezig: er is op Joodse begraafplaatsen immers sprake van eeuwigdurende grafrust. Behalve een ANWB-bordje is aan niets te zien dat hier een Joodse begraafplaats is: alle matsevot (grafmonumenten) zijn in de loop der tijden verdwenen.
Waarschijnlijk op zondag 24 februari 1828 vond de eerste levaja (lewaje in het Jiddisch), begrafenis, op de nieuwe begraafplaats plaats. Het was die van Salomon van Adelsbergen (Emmerich 1733 – Tiel 23 februari 1828).
Dit Vak A is het oudste op deze begraafplaats die meerdere vakken kent. Dit vak ligt na de uitgang van het metaheerhuisje aan de linkerhand.
De teksten staan allemaal richting de Visserstraat waaraan tot 1877 de ingang lag. Bij herstelwerkzaamheden aan de muur werd de oude dorpel (drempel) van dat huisje aangetroffen.
De oudste rij graven in vak A ligt tegen de zuidelijke muur. In zowel vak A als vak C gaat de nummering, net zoals het Hebreeuws wordt gelezen, van rechts naar links.
Tussen 1868 en 1877 werd de begraafplaats uitgebreid met een haaks op het oudste deel (van A) liggend vak C.
Dit bevindt zich direct na de uitgang van het metaheerhuisje rechts Daar werd tussen 1877 en 1930 begraven.
Medio 1876 werd de bouw van een nieuw metaheerhuisje en de muur rond de begraafplaats aanbesteed en op (waarschijnlijk) vrijdag 16 maart 1877 vond in dit vak de eerste levaja (lewaje in het Jiddisch), begrafenis, plaats. Het betrof die van Sara Franken (Tiel 3 mei 1806 – 15 maart 1877 Tiel).
De ingang werd daarbij verplaatst van de Visserstraat naar de Voor de Kijkuit. Omdat er (ook toen al) een bebouwing stond moest er een lang pad worden aangelegd. Dat leidt vanaf de openbare weg naar de nieuwe entree van de begraafplaats in de vorm van een nieuw, goeddeels in neogotische stijl gebouwd, metaheerhuisje.
Maar ook dit vak C raakte vol en vanaf rond 1930 werden graven uitgegeven op de plek waar eerst het oudste metaheerhuisje stond.
Het oostelijke deel van dit vak B bleef bestemd voor kindergraven maar er ontstond ruimte voor bijna 40 graven voor volwassenen. Die ruimte was snel gevuld en leidde ertoe dat de Kehila van Tiel besloot tot de aankoop van de (particuliere) Joodse begraafplaats van Geldermalsen. In 1935 vond daar de enige levaja, begrafenis, plaats van een lid van de Tielse Joodse Gemeente.
Vak B bevindt zich achter vak A, op de locatie waar het eerste metaheerhuisje stond en waar altijd al kinderen werden begraven. Tussen 1930 en 1998 vonden daar ook volwassenen hun laatste rustplaats.
Eén van de kleine matsevot (grafmonumenten) in dit vak B staat met de tekst richting de Visserstraat: het is het graf van Lea Hirsch (Tiel 14 september 1870 – 15 maart 1872 Tiel). Dat graf dateert van vóór de uitbreiding van de begraafplaats, rond 1877, met vak C.
In 1998 vond de laatste levaja plaats in dit vak B plaats en daarmee was ook dat vak helemaal benut. Gelukkig was inmiddels het wetsartikel dat bepaalde dat er 50 meter afstand moest bestaan tussen een bebouwing en een graf vervallen.
Bij de verkoop van de voormalige stadsboerderij door de Joodse gemeente Tiel aan de (burgerlijke) gemeente Tiel werd de zuidelijke grens van de begraafplaats verlegd. Daardoor ontstond er ruimte voor circa 10 extra graven: vak D.
Vak D ligt ten zuiden van vak C tussen de voor een deel geslechte muur en de taxushaag.
De matsevot op de begraafplaats zijn alle sober van aard. De oudste zijn rechthoekig en later, vanaf rond 1880, waren de meeste voorzien van een halfronde bovenkant.
Op lege plekken hebben wellicht ooit houten matsevot gestaan dan wel zijn de zerken door vandalen vernield.
De gietijzeren paaltjes vermelden alleen een rij- en grafnummer. Deze zijn uiteindelijk, bijvoorbeeld door gebrek aan financiële middelen of bij het ontbreken van familie, nooit vervangen door een matseva.
