Henriëtte Docters
Henriëtte Docters
Op deze matseva (grafzerk) betuigen haar kinderen hun dankbaarheid jegens hun moeder. Henriëtte Docters was gescheiden, iets wat zelden voorkwam binnen kleine en hechte Joods gemeenschappen zoals die in Ophemert. Zij was winkelier en ‘economisch zelfstandig’ wat goed uitkwam omdat haar man voor hun scheiding alle eigendommen aan anderen had verkocht. Al haar kinderen werden slachtoffer van de Sjoa (Holocaust).
Aan Henriëtte Docters, (Oirschot 27 juli 1854 – 16 december 1917 Ophemert) is op haar matseva (grafzerk) een bijzondere tekst gewijd: de dankzegging van ‘hare dankbare kinderen Antje-Mietje-Jeanette-Izak’ jegens hun moeder.
De vertaling van de Hebreeuwse tekst luidt:
Haar handpalm spreidde zij uit naar de arme
en haar handen strekte zij uit naar de behoeftige
Hier is geborgen
Een goede en vooraanstaande vrouw de pracht van haar zonen
mevrouw Gittele dochter van Jitschak
en de naam van haar moeder was Chaya.
Zij overleed in goede naam aan de vooravond van
chanukat hamizbe’ach
en werd begraven op 4 Tevet 5678
Moge haar ziel opgenomen worden
in de bundel van het eeuwig leven.
Waarschijnlijk heeft die dankbaarheid van haar kinderen jegens hun moeder ermee te maken dat Henriëtte Docters onverzorgd was achtergelaten door haar man:
- Hijman van Blijdenstijn
(Ophemert 21 april 1847 – 29 oktober 1930 Ophemert)
(grafnummer 288; C V 18).
Op 30 april 1885 waren Hijman en Henriëtte in Boxtel in het huwelijk getreden, maar nog geen twintig jaar later, op 4 september 1908, vroeg Judith de echtscheiding aan. Daar waren verschillende redenen voor: Hijman ‘ging de laatste 12 jaren vreemd’ met verschillende vrouwen in het dorp, hij bedreigde en mishandelde haar en meermalen beledigde hij haar op een grove manier. Op het moment van de echtscheiding waren de drie jongste kinderen nog minderjarig.
Een maand voordat hij voor de rechtbank werd gedaagd, had Hijman al zijn bezittingen aan zijn broer Israël verkocht zodat hij niets meer had om die bij de scheiding met zijn ex-vrouw te delen. De scheiding werd op 6 oktober 1908 uitgesproken.
De ouders van Judith waren
- Izak Hartog Docters
(Oirschot 23 december 1807 – 15 december 1893 Boxtel), vleeschhouwer van beroep,
en - Antje Levison
(Bergen op Zoom 26 oktober 1817 – 21 juni 1896 Boxtel).
Henriëtte van Blijdenstijn, eerder (vanaf welk moment is onduidelijk) werd zij ook wel Judith genoemd, was van beroep winkelierster.
Het echtpaar Van Blijdenstijn-Docters kreeg vijf kinderen:
- Antje Jeanette
Ophemert 2 april 1887 – 27 november 1942 Auschwitz
Zij bleef ongehuwd en is verschillende keren opgenomen in psychiatrische instellingen, waaronder ‘Het Apeldoornsche Bosch’. Op het laatst woonde zij in Arnhem, de Zijpendaalseweg 1d. Vandaar is zij op 18 november 1942 weggehaald en naar Westerbork afgevoerd en op 24 november gedeporteerd naar Auschwitz. Bij aankomst aldaar, op 27 november 1942, werd zij onmiddellijk vermoord in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau.
Zij was de tweelingzus van
- Emanuel Hijman
Ophemert 2 april 1887 – 19 oktober 1942 Auschwitz
Hij woonde in Zwolle en was employé van beroep - Maria (Mietje)
Ophemert 5 januari 1890 – 14 mei 1943 Sobibor
Zij was getrouwd met- Izak Kalker
Varik 2 maart 1883 – 14 mei 1943 Sobibor
Kalker was slager in Ophemert
Van hun vier kinderen zouden er twee de Sjoa overleven
nadat deze in Kamp Vught (Konzentrationslager Herzogenbusch) waren ingedeeld bij het Philips Kommando*)
- Izak Kalker
- Jeannette
Ophemert 19 februari 1892 – 28 mei 1943 Sobibor
Zij was getrouwd met- Mozes van Straten
Herwijnen 5 juni 1891 – 28 mei 1943 Sobibor
Het echtpaar woonde in Herwijnen waar Van Straten een
slagerij had. Ook zoon Manuel, hun enig kind, werd op 28
mei 1943 in Sobibor vermoord
- Mozes van Straten
- Izak
Ophemert 23 oktober 1894 – 28 februari 1943 Auschwitz
Hij was getrouwd met- Sophia Elisabeth Kalker
Ophemert 24 oktober 1894 – 28 februari 1943 Auschwitz
Izak was koopman van beroep
- Sophia Elisabeth Kalker
Op 29 juni 1921 stond een advertentie in het NIW (Nieuw Israëlitisch Weekblad) waarin de ondertrouw (op 29 juni 1921) en het aanstaande huwelijk (op dinsdag 12 juli 6 Tamoez te 1½ uur Volstrekt éénige Kennisgeving) werd aangekondigd van zowel Ies Kalker en Mietje van Blijdenstijn als Ies van Blijdenstijn en Sophie Kalker.
Opvallend is dat de naam van zoon Emanuel Hijman niet op de matseva vermeld staat, noch in overlijdensadvertenties. Het vermoeden bestaat dat er sprake was van een breuk in de familie. Wellicht heeft hij bij de scheiding van zijn ouders de kant van zijn vader gekozen.
Emanuel trad op 2 mei 1916 in Zwolle in het huwelijk met
- Kaatje Levie
(Zwolle 5 oktober 1887 – 19 oktober 1942 Auschwitz).
Het overlijden van, ofwel de moord op haar dochter Jeannette in Sobibor op 28 mei 1943, werd op 7 januari 1950 bekendgemaakt in het Staatsblad.
*) Het hele gezin van Izak en Maria Kalker op 9 April 1943 werd weggevoerd naar het concentratiekamp Vught. Van daar werd zoon Mozes Levie Kalker tewerkgesteld in het ‘Buiten Kommando Moerdijk’. Na zijn https://www.joodserfgoedrotterdam.nl/moerdijk/ terugkomst in Vught, op 3 juli 1943, werd hij doorgestuurd naar Westerbork waar hij werd ondergebracht in barak 61.
Op 20 Juli werd hij met de 19e en laatste trein van Westerbork naar Sobibor gedeporteerd waar hij direct na aankomst op 23 Juli 1943 in de gaskamers werd vermoord.
De dochters Rachel en Judith Kalker werden in Vught ingedeeld bij het door Philips (letterlijk zoals een overlevende dat noemde) ‘in leven gehouden’ ‘Philips Kommando’. Dat verrichte tal van productie- en assemblagewerkzaamheden voor Philips, en daarmee de bezetter, waaronder het maken van ‘knijpkatten’ en ‘radiobuizen’ waardoor zij bijna tot het laatst in Vught bleven.
Op 3 Juni 1944 werd de groep op transport gesteld naar Auschwitz met de bedoeling dat zij daar weer werkzaamheden zouden verrichten.
Na aankomst en verblijf in het kamp werd deze groep, na enige tijd werkzaamheden te hebben verricht, geruime tijd, voor de geallieerde opmars uit, door Duitsland gesleept. Uiteindelijk werden zij in Noord Duitsland door het Zweedse Rode Kruis bevrijd. Vanuit Zweden zijn zij uiteindelijk teruggekeerd naar Nederland.
Izak Kalker en zijn vrouw Maria van Blijdenstijn werden op 8 mei 1943, samen met hun jongste dochter Antje Jeannette Kalker, vanuit Vught naar Westerbork overgebracht.
Antje Jeannette verbleef daar, mogelijk met haar ouders, in barak 58. Enkele dagen later, op 11 mei 1943 werden zij op transport gesteld naar Sobibor. Bij aankomst aldaar op 14 mei 1943 werden Izak Kalker, zijn vrouw Maria van Blijdenstijn en hun dochter Antje Jeannette Kalker onmiddellijk in de gaskamers vermoord.
Afbeeldingen
= Transportkaart met de namen van Izak kalker en zijn dochter Antje
= Mozes van Straten, zijn vrouw Jeannette van Blijdenstijn en hun zoon Manuel
= Mozes van Straten voor zijn slagerij in Herwijnen
= de door de Joodsche Raad ingevulde kaart van Antje Jeannette van Blijdenstein (sic)

