Asser Hirsch
Asser Hirsch (Amsterdam 6 juli 1830 – 2 mei 1908 Deventer) was de zoon van leraar Samuel Joseph Hirsch (Amsterdam 22 oktober 1789 – 29 september 1842 Amsterdam) en Aaltje Abraham Hes (Amsterdam 1 augustus 1801 – 24 juni 1889 Amsterdam).
Aaltje Abraham Hes was een jongere zuster van David Hes, de man die tientallen jaren de (geestelijk) leider was van de Joodse Gemeente van Tiel met Asser Hirsch als zijn rechterhand.
Op de matseva van Asser Hirsch staat de volgende tekst (vertaald uit het Hebreeuws):
Een teken voor de ziel
van de bestuurder en leider de chaveer
de heer Moshe Asher Benjamin
zoon van de ge’eerde rabbijn de heer Shmu’eel
De nagedachetnis van een rechtvaardige zij tot zegen,
van het huis Hirsch en de naam van zijn moeder was Elkela
hij overleed op de Heilige Sabbat, de 2e dag van het
nieuwemaansfeest van Iyar
en werd begraven op dinsdag 4 Iyar 5668
Dat zijn ziel gebundeld mag worden in het bundel van het eeuwige leven.
Asser Hirsch trouwde op 24 maart 1854 in Tiel met de op 24 december 1831 in Amsterdam geboren en op 28 mei 1902 in Tiel overleden Betje Marchand.
Het echtpaar kreeg 10 kinderen: 7 zonen en 3 dochters:
- Samuel Julius
Tiel 28 december 1855 – 29 oktober 1898 Tiel - Carolina Rebecca
Tiel 22 november 1857 – 7 september 1898 Tiel - Charlotte
Tiel 8 januari 1860 – 26 november 1922 Amsterdam - Anselm Maurits
Tiel 29 oktober 1861 – 10 september 1924 Dordrecht - Esther
Tiel 2 april 1863 – 23 juli 1943 Sobibor
Zij was getrouwd met Jacob Visser
(Deventer 18 februari 1851 – Westerbork, 5 mei 1943) - Abraham Meijer
Tiel 14 januari 1865 – 14 maart 1940 Amsterdam - Elize
Tiel 29 juni 1868 – 14 mei 1943 Sobibor - Rachel
Tiel 15 september 1869 – 13 maart 1943 Sobibor - Lea
Tiel – 16 september 1870 – 15 maart 1872 Tiel - Anna
Tiel 29 mei 1872 – 3 april 1953 Luik [B]
Het echtpaar Hirsch woonde eerst aan het Bleekveld en verhuisde later naar het Hoogeinde, naast het pand waarin het politiebureau was gehuisvest. Beide panden werden in de winter 1944/1945 verwoest als gevolg van de beschietingen op Tiel door de geallieerden vanaf de wél bevrijde ‘overkant’.
In de eerste helft van de 19e eeuw kende Tiel een bloeiende Joodse Gemeente met meer dan 300 leden uit Tiel en omgeving. In 1869 moeten er meer dan 400 personen lid zijn geweest van de Tielse kehilla (Joodse Gemeente) want Tiel zelf telde toen alleen al 386 Joodse inwoners.
Deze kehilla van Tiel, met status van Ring Synagoge, omvatte toen meerdere omliggende plaatsen zoals Geldermalsen, Lienden en Ochten.
Vanaf 1827 beschikte de Kille (Jiddisch voor kehila) van Tiel over een eigen begraafplaats en in 1839 werden de tot dan aanwezige huissynagogen ingeruild voor een ‘echte’ synagoge.
Het ‘lernen’, Jiddisch voor leren ofwel studeren, uit de Tenach, de vijf Bijbelboeken van Mozes (in de synagoge werd, in ieder geval op sabbat, gelezen uit de Tora) speelde (en speelt) een belangrijke rol in het leven van de Joden.
In 1841 werd in Tiel een Joodsche School gesticht waarin Joods onderwijs centraal stond. De school was allereerst bestemd voor de minder bedeelde Joodse kinderen: zij die meer te besteden hadden trokken vaak een particuliere leraar aan.
Op 2 mei 1848 behaalde Asser Hirsch in Amsterdam de 4e, de laagste, graad als leraar en een jaar later, in 1849, werd hij als negentienjarige benoemd tot leraar in Tiel. Later verwierf Hirsch nog de 3e graads bevoegdheid.
Intussen werd de inhoud van het onderwijs uitgebreid met enkele talen, geschiedenis en algebra.
Het aantal leerlingen groeide en dat leidde ertoe dat in 1851, op de hoek van de Sint Agnietenstraat en de Westluidensestraat een nieuw pand in gebruik kon worden genomen. Daarvan getuigt nu nog steeds de gevelsteen in de gevel aan de kant van de Sint Agnietenstraat.
Het pand werd gebouwd door timmerman Van Baars voor een kostprijs van 2.760 gulden. De realisatie werd ondersteund door een bijdrage van 300 gulden van de gemeenteraad van Tiel.
Het nog steeds bestaande pand ligt vlak bij de toenmalige synagoge, nu moskee, en bood ook genoeg ruimte voor andere activiteiten van de toen nog steeds groeiende Joodse gemeenschap.
In 1854 was Asser Hirsch benoemd tot Chazan (voorzanger). In de benoemingsbrief staat aan het slot: ‘Dit zal (in het vervolg) zijn naam zijn als hij voor de Tora wordt opgeroepen en voor (ander) gebruik bij de eredienst: “Hechaveer (eretitel), de heer Asjer Benjamin,
zoon van onze leraar, rabbijn Sjmoe`el (Samuel)”’.
De leraren die door Hirsch werden ingeschakeld werden destijds slecht betaald, iets dat nog werd verergerd door de invoering van een nieuwe onderwijswet in 1857. Die wet leidde ertoe dat de overheid haar financiële steun aan de school stopzette.
Daarop vooruitlopend had Hirsch het districtsschoolbestuur al in 1855 geïnformeerd over het oprichten van een privéinternaat, het ‘Instituut voor Israëlitische Jongeheeren’.
Waarschijnlijk was dat in goed overleg met het bestuur van de Joodse Gemeente waarvan hij, gezien zijn functie én het gebrek aan kader binnen de Kille (Jiddisch voor kehilla, Joodse Gemeente) niet toevallig, secretaris was. Het was een ‘speciale school voor basis- en voortgezet basisonderwijs’.
Uit de (schaarse) documenten die bewaard gebleven zijn, zoals het bevolkingsregister van Tiel, blijkt duidelijk dat óók toen Hirsch nog op het Bleekveld woonde, er al jongens bij hem en zijn gezin inwoonden.
Uit de overzichten die aan de burgerlijke overheden moesten worden gestuurd bleek dat de kostschool in 1858 al 19 leerlingen telde.
Verder toont het bevolkingsregister aan dat de leerling Louis Cohen op 1 augustus 1863 het huis van Hirsch aan het Bleekveld verliet om terug te keren naar zijn ouderlijk huis in Groningen.
Volgens correspondentie tussen de gemeenteraad van Tiel en Hirsch, de opgave uit 1862, waren er op 15 april 1862 38 jongens en 19 meisjes als leerling ingeschreven. 38 van deze 57 leerlingen kwamen uit Tiel en de overige van elders.
De ouders van deze kinderen kregen de garantie van een uitstekende algemene opleiding met op hetzelfde hoge niveau orthodox-Joods religieus onderwijs. Als pluspunt gold dat de inwonende internaatleerlingen bij ziekte verzekerd waren van goede zorg.
Naast het runnen van zijn Instituut bleef Hirsch waarschijnlijk ook religieuze (en mogelijk ook andere) lessen verzorgen voor de kinderen van minderdraagkrachtige ouders uit Tiel: de school was van oorsprong immers een ‘armenschool’.
Voor dat onderwijs ontving Hirsch vanuit de Tielse kehilla (Joodse Gemeente) jaarlijks 200 gulden, dat als tegemoetkoming in de kosten.
De nieuwe school had ook hulpleraren in dienst, onder wie J.P. van Rooij. Omdat de beschikbare ruimte in het pand op de hoek van de Sint Agnietenstraat en de Westluidensestraat onvoldoende was om alle lessen van zijn ‘Instituut’ te kunnen huisvesten, verhuisde de school in 1865 (met in ieder geval een deel van de lessen) naar het pand Hoogeinde D 107 (nu Sint Walburgstraat 9). In dat pand was tot dan toe de Fransche School van D. van de Berg gevestigd.
Het aantal leerlingen dat het Instituut per schooljaar bezocht bleef gestaag stijgen tot ongeveer 50 vooral jongens maar ook enkele meisjes. Pas rond de eeuwwisseling, toen Hirsch bijna 70 was, trad een daling van het aantal leerlingen in.
Op 1 mei 1902 sloot Asser Hirsch de deuren van zijn school, slechts enkele weken voor het overlijden van zijn vrouw Betje.
In 1906 verhuisde hij naar Deventer, waar hij op 2 mei 1908 overleed. Volgens zijn wens werd hij naast zijn vrouw in Tiel begraven. In het graf daarnaast ligt hun jong overleden dochter Carolina Rebecca Hirsch (Tiel 22 oktober 1857 – 7 september 1898 Tiel).
Zij was getrouwd met Samuël Chananja Kleerekoper (Amsterdam 29 oktober 1843 – 28 december 190 Amsterdam).
Zij waren de ouders van de tijdens zijn leven bekende journalist (met een scherpe pen) en politicus Asser Benjamin Kleerekoper (Tiel 22 september 1880 – 14 april 1943 Amsterdam).
De Israëlitische School, ook wel het ‘Hirsch Instituut‘ genoemd, was een van de twee speciale scholen in Tiel. Dat wil zeggen dat zij niet werden gesubsidieerd door de lokale overheden.
Het toezicht op de kwaliteit van het onderwijs werd uitgevoerd door het districtsschoolbestuur dat de resultaten van dat toezicht regelmatig in de krant publiceerde. Zo schreef de raad: ‘De hoofdleraar wijdt zich met de grootste ijver aan zijn taak’, ‘Het onderwijs verdient de hoogste lof’ en ‘Het onderwijs op de school van A. Hirsch blijft zich gunstig onderscheiden’.
Het lesprogramma overtrof ook inhoudelijk het binnen het reguliere Lager Onderwijs gebruikelijke niveau en telde ook vakken als Frans, Hoogduits en Engels. Daarnaast werd uiteraard speciale aandacht besteed aan Hebreeuws en godsdienstig onderwijs. Dat blijkt uit de specifieke aanstelling van hulpleraren voor dit onderwijs.
Verschillende leerlingen die bij Hirsch verbleven gingen na afloop van de leerjaren bij Hirsch naar een middelbare school in Tiel: de HBS (Hogere Burger School) of het (Pro) Gymnasium (gymnasium).
Om leerlingen aan te trekken verschenen met grote regelmaat wervende advertenties in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). Daarin werden de namen genoemd van (oud-)leerlingen die hun opleiding succesvol hadden afgerond. Ook bevatten zij een halfjaarlijkse aanbeveling om kinderen aan hem toe te vertrouwen. Naast de ‘Israëlitische Jongeheeren’ verbleven er ook regelmatig meisjes op zijn school.
Lijsten met de namen van de leerlingen en de plaatsen vanwaar zij afkomstig waren zijn helaas niet bewaard gebleven. Maar er bestaan gelukkig nog wel mogelijkheden om te komen tot reconstructies.
In de bevolkingsregisters (nu bewaard in en in te zien bij het Regionaal Archief Rivierenland) zijn overzichten opgenomen van de leerlingen die, over een periode van enkele tientallen jaren, bij Hirsch woonden.
Uit die overzichten bleek dat de school niet alleen nationale maar ook internationale faam had verworven en dat zij uniek in haar soort was: waar anders kon (of durfde) een ouder de opvoeding van zijn/haar kind toe te vertrouwen aan iemand die ook een grondige Joodse opleiding bood?
Hoewel er geen registraties van de kosten zijn bewaard gebleven, zou een opleiding aan en het inwonen bij het Internaat van Hirsch alleen voor de rijke elite mogelijk zijn geweest. Daarnaast wordt uit documenten en krantenartikelen duidelijk dat kinderen uit armlastige gezinnen uit Amsterdam, mits zij zich voldoende ijverig toonden en goede leerresultaten boekten, een soort beurs kregen om in Tiel bij Hirsch in het Instituut terecht te komen.
De overgrote meerderheid van de leerlingen kwam sowieso uit Amsterdam, vaak waren het meerdere kinderen uit één gezin.
De populariteit van het ‘Instituut’ van Hirsch, ook in het buitenland, toont duidelijk de belangrijke rol Nederland en in het bijzonder Amsterdam in de internationale Joodse wereld vervulde. Veel Joodse wetenschappers en bankiers kwamen naar Amsterdam of stuurden hun kinderen erheen. Zo telde het Instituut van Hirsch leerlingen uit dan wel geboren waren in o.a.
- Antwerpen:
- Mozes Penha
- Brussel:
- Bertha Poons
- Kimberley (Zuid-Afrika):
- Philip Levie
- Londen:
- Abraham Barnett
- Michel Boekbinder
- Julius Derkheim
- Abraham Gomperts
- John Hart
- Maurice Jacobs
- Solomon Jacobs
- Jacques Nijburg
- Nico Nijburg
- George Taleke
- Luik:
- Jules Dewied
- Memphis (VS):
- Abraham Poons
- Minsk (toen Rusland; nu Belarus/Wit Rusland):
- Blumen Barcha Rapoport
- Tromechan Rapoport
- Neustadt (Rusland) nu Nischni Nowgorod:
- Samuel Lewes
- Parijs:
- Bernard de Roos
- Henrij de Roos
- August van Weerden
- Vilnius / Wilna
- Efraijem Fin
- Leursh Fin
- Sheffield:
- Arthur Cohen
- Sint-Petersburg:
- Abraham Salomon Monossohn
- Joseph Woronick
- David Woronick
- Witebsk (Rusland’nu Belaris/Wit Rusland:
- Samuel Monossohn
- Noshum Monossohn
- Sydney (Australië):
- Elie Bobbe
- ??:
- Julia de Wied / Dewied
De meesten van hen kwamen via Amsterdam in Tiel terecht. De komst van leerlingen vanuit Rusland naar het ‘Instituut Hirsch’ kan zeker mede worden toegeschreven aan de pogroms*) die in de 19e plaatsvonden eeuw in Oost–Europa. Het is waarschijnlijk dat Russische Joden die daartoe financieel in staat waren hun kinderen daarom naar het buitenland stuurden.
*) Het woord pogrom komt van het Russische woord погром = pogróm wat is afgeleid van het werkwoord gromit, wat ‘vernietigen’ of ‘verwoesten’ betekent. Het begrip verwijst naar een georganiseerde aanval op een vaak etnische of religieuze minderheidsgroep waarbij huizen, bedrijven en religieuze centra worden verwoest. Ook wordt daarbij fysiek geweld gebruikt om de groep te intimideren, verdrijven of om hen tot assimilatie te dwingen.
Een van de kostschoolleerlingen van Hirsch, Mozes Woronick, vestigde zich na zijn opleiding aan Hirsch én het gymnasium van Tiel definitief in Nederland. Na zijn opleiding aan de Universiteit van Amsterdam werd hij tandarts en vestigde zijn praktijk aan de Amstellaan, nu Vrijheidslaan, in de hoofdstad. Hij werd op 1 oktober 1942 vermoord in Auschwitz.
Helaas kan in lang niet alle gevallen worden vastgesteld hoe lang leerlingen bij Hirsch op het Instituut zaten. Getuige het bevolkingsregister van Tiel verbleven de meesten slechts relatief kort onder de hoede van Hirsch, van een half jaar tot enkele jaren, maar sommigen maakten hun middelbare school af in Tiel.
Behalve bij Mozes Woronick was dat ook bij Gustaaf Tabak uit Amsterdam het geval. Hij kwam in 1882 als tienjarige bij Hirsch en verliet Tiel in 1892 op 19-jarige leeftijd Tiel, dat nadat hij in Tiel zijn middelbare schoolopleiding had afgerond.
Uit tal van krantenartikelen blijkt dat veel kostschoolleerlingen aan de sociale, sportieve en culturele activiteiten in Tiel deelnamen.
In de Tielsche Courant van 26 februari 1897 staat bijvoorbeeld een verslag van de wedstrijd tussen TVV (Tiel Voetbal Vereeniging) en Gorkum. TVV verloor de wedstrijd met 0-3 met (oud-) leerlingen Woronick en Speijer en een zoon van Hirsch in de opstelling.
Dat de school van Hirsch algemeen werd gewaardeerd bleek in 1874 toen het Instituut haar 25-jarig jubileum vierde. Naast vertegenwoordigers uit de Joodse wereld waren de burgemeester en tal van andere prominente niet-Joodse inwoners aanwezig om Hirsch te feliciteren.
In de avond ‘verzamelde zich een grote menigte voor zijn huis om mee te juichen’: ‘met volledige goedkeuring van de burgemeester van Tiel’ werd hij door het muziekkorps van de Schutterij bij fakkellicht begroet.
Ook bij het 50-jarig jubileum van het Instituut in 1899, toen Hirsch 69 jaar oud was, stond hij in het middelpunt van de belangstelling. Op 30 augustus 1900, op de verjaardag van koningin Wilhelmina, werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.
Op 1 mei 1902 sloot het instituut zijn deuren. De slotwoorden van de districtsonderwijscommissie waren (opnieuw) lovend:
“Dit betekent het verdwijnen van een onderwijsinstelling, waar jarenlang een belangrijk deel van de Israëlitische jeugd van ons land met zorg werd onderwezen en opgeleid, want het beheer van de school was in bekwame handen” (Tielsche Courant 12-11-1899).
In totaal verbleven meer dan 250 jongeren, voornamelijk jongens, kortere of langere periodes op het internaat.
De meeste leerlingen van Hirsch waren al overleden toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Bijna alle leerlingen die toen nog wél leefden werden door de nazi’s vermoord, onder wie:
| Naam | Geb. |
Afkomstig uit | Vermoord in |
| Barend Augurkiesman | 1875 | Amsterdam | 1942 – Auschwitz |
| Barend Gomperts | 1894 | Amsterdam | 1944 – Auschwitz |
| Samuel Jacob Hakkert | 1882 | Vianen | 1943 – Sobibor |
| Karel Hoedemakker | 1890 | Amsterdam | 1943 – Sobibor |
| Philip Polak | 1876 | Almelo | 1943 – Sobibor |
| Jacob Visser | 1887 | Amsterdam | 1944 – Auschwitz |
| Henri Vredenburg | 1883 | Zutphen | 1943 – Auschwitz |
| Simon M.J. van Wijnbergen | 1887 | Rotterdam | 1942 – Auschwitz |
| Mozes Woronick | 1879 | Sint-Petersburg | 1942 – Auschwitz |
Enkele leden van het gezin Hirsch
Carolina Rebecca, de oudste dochter van Asser Hirsch en Betje Marchand, werd geboren op 22 november 1857 in Tiel, waar ze op 7 september 1898 overleed. Zij trouwde op 22 april 1875 in Tiel met Samuel Chananya Kleerekoper. Samuel werd geboren op 29 oktober 1843 in Amsterdam en verhuisde in 1866 naar Tiel, waar hij zowel docent was aan het Instituut Hirsch, docent Hebreeuws aan het Stedelijk Gymnasium (1893–1909) als chazan (voorzanger) en leraar van de Joodse Gemeente. Ze kregen vier kinderen: Estella (1876), Betsie (1877), Jenny (1879) en Asser Benjamin (1880).
Dochter Estella Kleerekoper werd geboren op 15 februari 1876 in Tiel. Zij studeerde farmacie en behaalde in 1900 haar doctoraat aan de Universiteit van Amsterdam. Zij was de eerste vrouwelijke apotheker die daarin slaagde. Ze heeft nooit als apotheker gewerkt maar blonk uit in haar functie als arbeidsinspecteur. Voor haar verdiensten werd zij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Zij overleed op 29 september 1942 in Amsterdam.
Zoon Asser Benjamin Kleerekoper werd geboren op 22 september 1880. Na lessen te hebben gevolgd aan het Instituut Hirsch en het gymnasium in Tiel studeerde hij rechten in Utrecht. Hij verwierf nationale faam, zowel als parlementslid van de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij) als in de functie van journalist en schrijver van columns (‘avant la lettre’). De afkorting van zijn naam tot ABK was alom bekend. Hij overleed op 14 april 1943 in Amsterdam.
Dochter Esther Hirsch werd geboren op 2 april 1863 in Tiel, waar ze op 9 januari 1889 trouwde met Jacob Visser.
Hij was een zoon van de Deventerse slager Emanuel Visser en Betje Frankfort. Jacob Visser stierf op 5 februari 1943 op 92-jarige leeftijd in het doorgangskamp Westerbork; zijn vrouw Esther werd op 23 juli 1943 vermoord in Sobibor.
Esther en Jacob kregen twee zonen en twee dochters:
- Emile Menachem Visser
Deventer 19 oktober 1889 – 23 juni 1964 Givataim (Israël) - Asser Visser
Deventer 31 december 1898 – 15 maart 1945 Midden-Europa
Hij was koopman van beroep - Betje / Betsy Bennekers – Visser
Deventer, 12 november 1890 – 6 februari 1965 Deventer - Caroline Souget – Visser
Deventer 22 mei 1893 – 14 april 1986 Amsterdam
Hun dochter Caroline Visser was lerares en erg muzikaal en ze trad vele malen op in Tiel. Als heel jong kind verbleef ze regelmatig in Tiel bij haar grootvader Asser en grootmoeder Betje. In haar dagboek schrijft ze over die periode:
‘Mijn herinneringen gaan terug tot ongeveer mijn derde jaar, toen ik me nog heel duidelijk de bruiloft van tante Anna kan herinneren, een gebeurtenis die zich om verschillende redenen in mijn geheugen heeft verankerd. Mijn temperament liet zich toen voor het eerst zien. Wat er gebeurde was dat omdat de andere kinderen bloemen mochten gooien, maar ik alleen confetti gebruikte, ik weigerde mijn rol te spelen en woedend de hele mand, confetti en alles, in de zaal gooide.
Het huis van mijn grootvader waar de bruiloft plaatsvond was een groot ‘patriciërshuis’, met grote kamers met hoog plafond, een enorme ontvangstruimte die uitkeek op de tuin, keukens zoals in een hotel, trappen zoals ik nog nooit in Deventer had gezien. Grootvader runde een kostschool en ik kan me nog veel van de leerlingen herinneren die daar toen waren, en ik ken ook veel van de verhalen over hen zoals verteld door mijn moeder, waar ik urenlang naar luisterde.
Grootvader was streng en prikkelbaar; hij droeg meestal een hoge hoed en een ochtendjas als hij uitging, of een kipah en een huisjas als hij thuis was. Hij had prachtige lange, fijne handen en koele grijze ogen, wit haar en een lange witte baard. Grootmoeder was een klein, vriendelijk vrouwtje, geduldig als een engel en altijd boven in de naaikamer om sokken te repareren. Het was altijd zij die ons troostte met een pruim of appel wanneer grootvader streng en onverzoenlijk was geweest over onze kleinste overtredingen.’
Het huwelijk van haar tante Anna met Louis de Wied, waarover zij schrijft, vond plaats op 27 april 1897.
Dochter Rachel Hirsch werd geboren op 15 september 1896 in Tiel. Ze was muzieklerares en lid van de ‘Vereniging Kunstkring Delft’(een kunstvereniging in Delft), de plaats waar zij woonde en werkte.
Nadat zij op 23 oktober 1942 een mislukte zelfmoordpoging had gepleegd werd zij op 5 maart 1943 gedeporteerd. Zes dagen later werd zij in Sobibor vermoord.
Dochter Anna Hirsch werd geboren op 29 mei 1872 in Tiel. Zij trouwde op 27 april 1897 met Louis de Wied. Hij was een broer van Jules Dewied, die leerling was geweest aan het Hirsch Instituut. Hun moeders, Betje en Mietje Marchand, waren zussen.
Anna overleed op 3 april 1953 in Luik (België).
Drie graven Hirsch naast elkaar
Eén van de uitzonderingen op de regel dat er op volgorde van overlijden begraven werd, zoals eerder genoemd, wordt gevormd door de graven van het gezin van Asser Hirsch: dochter, moeder en vader Hirsch liggen in vak C in rij III naast elkaar op de nummers 10, 11 en 12 begraven.
Eén van de talloze advertenties van ‘Instituut A. Hirsch’ die in het NIW (Nieuw Israëlitisch Weekblad) verschenen.
Esther Visser – Hirsch met haar kleindochter rond 1920.
de benoemingsbrief uit 1854 van Asser Hirsch tot Chazan (voorzanger)

