Elie van Blijdesteijn
Elie van Blijdesteijn (Tiel 3 september 1935 – 17 mei 1998 Tiel) was de laatste persoon die tot aan de uitbreiding van de begraafplaats met van D, in 1994, op het Tielse Bet Olam werd begraven. Met zijn graf was ook alle tot dan beschikbare ruimte op de ‘oude’ vakken A, B en C van de begraafplaats ingevuld.
Voor de matseva liggen enkele grotere stenen, dat als permanent bewijs van het feit dat er, naar aloud Joods gebruik, aandacht was (en is) voor de overledene.
Op de matseva staat, uit het Hebreeuws vertaald:
Hier ligt begraven de heer Eli`ezer, zoon van de heer Mosje.
En de naam van zijn moeder was Chawa.
Elie overleed nadat hij onwel was geworden tijdens een fietstocht in het Limburgse heuvelland. Hij was getrouwd met de op 24 mei 1939 in Heerlen geboren Edith Herstein.
Welhaast vanzelfsprekend was Elie de eerste daarvoor in aanmerking komende opvolger in de al sinds 1833 bestaande zaak, oorspronkelijk in manufacturen en thans Modehuis Blijdesteijn, van zijn ouders.
Al op twaalfjarige leeftijd hielp hij bij het inpakken bij de kassa en ging hij, niet met zijn vader maar met verkoper Van Keulen, de meest afgelegen boerenhofsteden langs. Het werkterrein omspande een gebied tussen Rossum en Heerewaarden ‘aan de overkant’ en Wadenoijen en ‘de Avezathen’ in de Tielerwaard.
Na de oorlog werd het zwaar beschadigd uit de oorlog gekomen Tiel met de nodige voortvarendheid opgebouwd. Blijdesteijn paste die ontwikkelingen als een maatkostuum en hij ging met zijn zaak mee in de vaart der volkeren.
De tijden veranderden en binnen het klantenbestand verschoof het accent van de agrariërs naar de burgerij en de middenstand. Daarmee moesten bedden, gordijnstoffen, balen met stof om zelf kleding te maken en balatum vloerbedekking plaats maken voor een nóg veelzijdiger kledingassortiment dan voor die tijd al het geval was.
De actieradius werd aanzienlijk uitgebreid nadat niet meer alleen in tussen de rivieren verschijnende media maar ook in landelijke dag- en weekbladen werd geadverteerd. Maar wat er wat dat betreft ook veranderde, de persoonlijke aandacht voor de klant bleef centraal staan. De zaak bloeide en groeide dankzij de grote betrokkenheid en inzet van Elie en zijn mensen!
Maar naast al deze voortvarendheid en vooruitgang bestond er grote zorg over het voortbestaan van de Joodse Gemeente Tiel. Slechts een viertal mannelijke leden was na de oorlog met hun gezinnen in Tiel teruggekeerd. Het waren Jozef Hes sr., Aäron Blok, Salomon Manassen en Maurits van Blijdesteijn.
Lang bleef de hoop bestaan dat de door de overheden voorgespiegelde sterke bevolkingsgroei van Tiel zou leiden tot een evenredige groei van het aantal Joodse inwoners. Maar die verwachte groei bleek een fata morgana en aan het eind van de 20e eeuw werd de Joodse Gemeente Tiel opgeheven, en bij die van Arnhem gevoegd, en was het in bezit zijnde vastgoed verkocht. Dat vastgoed bestond uit de synagoge en het verenigingsgebouw aan de Sint Agnietenstraat, de woningen van de rebbe en de sjammes aan de Westluidensestraat alsook de woning met grond naast de Joodse begraafplaats.
De eigendomsrechten van de Joodse begraafplaatsen in Tiel en Geldermalsen werden overgedragen aan het NIK (Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap). Vooral de begraafplaats in Tiel wekte een desolate indruk met tal van omgevallen, beter: voor een deel door de ‘lieve jeugd’ omgetrokken matsevot.
Na het vertrek naar elders van de families Blok en Hes en het overlijden van zijn vader kwam het uitwerken van veel van de genoemde transacties neer op Elie van Blijdesteijn.
Sal Manassen, het verder enige overgebleven bestuurslid van de kehila van Tiel, had al in een vroegtijdiger stadium bij herhaling naar voren gebracht dat hij geen vertrouwen had in een opleving en daarmee het voortbestaan van de Joodse Gemeente Tiel. Hij concentreerde zich op het naar Tiel terughalen van de bij de Joodse Gemeente Arnhem in beheer gegeven objecten.
Het moet Elie van Blijdesteijn menigmaal het gevoel gegeven hebben ‘in een spagaat te staan’. Aan de ene kant een zaak die groeide en bloeide en aan de andere kant het in machteloosheid aanschouwen van de teloorgang van de Joodse Gemeente Tiel.
Het bij gebrek aan (letterlijk) ‘mankracht’ (voor een godsdienstoefening moeten immers tien Joodse mannen aanwezig zijn, een minjan gemaakt zijn) niet meer actief kunnen zijn van de Kille van Tiel wordt ook duidelijk uit de plaatsen waar Elie, Ido en Franklin van Blijdesteijn voor de Joodse wet volwassen, bar mitswa, werden: in respectievelijk Utrecht, Amsterdam en Arnhem.
Na het plotselinge overlijden van Elie nam zijn broer Franklin de leiding van de zaak in handen, gesteund door zijn vrouw José van Blijdesteijn-Mulders. Na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd droeg hij de leiding over aan zijn kinderen Bram, Max en Eva.
Afbeeldingen
= De kist met manufacturen waarmee Elias van Blijdesteijn (letterlijk) ‘de boer op ging’
= De inhoud van de kist
= De vier betonmozaïeken in de voorgevel van het pand waarin ooit de herenmodeafdeling van Blijdesteijn Mode gevestigd was. Daarop is de combinatie te zien van de ontwikkelingen van zowel de mode als het vervoer.

