C IV 5 – Bernard van Weenen

Bernard van Weenen

Bernard van Weenen (’s-Hertogenbosch 28 april 1841 – 26 november 1908 Tiel) is voor zover bekend de enige persoon die op het Tielse Bet Olam begraven ligt die drager was van de Militaire Willems Orde.

Op de matseva van Bernard van Weenen staat, vertaald uit het Hebreeuws: 

Hier rust
De ge’eerde Yssacher zoon van de geleerde Chaim Jehuda
En de naam van zijn moeder was Hera
Hij overleed aan de vooravond van de dag voor de Heilige Shabbat
3 Kislew 5669 en werd begraven op maandag 6 Kislev.

Daaronder:

Bernard van Weenen
Ridder der Militaire Willemsorde 4e Klasse
Overl. 26 nov. 1908 / 3 Kislew 5669 

Dat zijn ziel gebundeld mag worden in het bundel van het eeuwige leven.

Opvallend is de late aangifte van het overlijden bij de gemeente: dinsdag 30 november 1908, dus de dag na de begrafenis! Ook de begrafenis vond later plaats dan gebruikelijk. Na het overlijden op de vooravond van sabbat (vrijdagavond) zou de begrafenis normaliter plaatsvinden op de eerste dag daarna (de zondag) in plaats van pas, zoals hier, de maandag daarna.

Bernard van Weenen werd in ’s-Hertogenbosch geboren als zoon van de Nederlandsch Israëlieten Hyman Levie Frederik van Weenen en Anna Cohen. Zijn vader was een geboortige Amsterdammer en augurkenkoopman (een bij Joden vaker voorkomend beroep: ‘handelaar in zuurwaren’), diens vrouw was bij het trouwen woonachtig in het Brabantse Heesch. 

Al op 16-jarige leeftijd, op 17 februari 1858, trad Bernard van Weenen, woonachtig in een echte garnizoensstad, toe tot het Bataljon Infanterie waar hij al snel tot korporaal werd bevorderd. Daarna volgde overplaatsing naar het 4e Regiment Infanterie.

Uit het feit dat hij nog maar 16 jaar jong was valt op te maken dat hij vrijwillig toetrad tot de krijgsmacht. De militaire dienstplicht, toentertijd conscriptie genoemd, werd in 1810 ingevoerd nadat het Koninkrijk Hollanddeel was gaan uitmaken van het Franse Keizerrijk. Iedere man van 20 jaar of ouder moest zich inschrijven en door middel van loting werd bepaald welke loteling werkelijk dienst moest nemen in het Franse leger. Na het vertrek van de Fransen en het stichten van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd dit systeem in stand gehouden en ontstond de Nationale Militie. Tot 1898 bleef het voor hen die zich dat financieel konden veroorloven mogelijk een plaatsvervanger, een remplaçant in te huren.

In 1861 stapte Van Weenen over naar het in onze kolonie Oost-Indiëactieve NIL, het later Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Waarom hij die overstap maakte is niet bekend maar wellicht trokken een flink handgeld (de financiële premie bij indiensttreding), betere promotiekansen én meer actie en avontuur hem over de streep.Het avontuur begon toen hij op 14 september 1861 afreisde naar Batavia (het huidige Jakarta). Na zijn aankomst op 7 februari 1862 werd hij ingedeeld bij het 12e Bataljon Infanterie. Om de aanspraken op een deel van het op Noord-Sumatra gelegen gebied kracht bij te zetten, zond Nederland in 1865 een eskader van 7 schepen en 1.400 man aan troepen naar dat gebied. Als snel na aankomst, tijdens de Slag van Siak, onderging de 24-jarige Van Weenen zijn vuurdoop.

Eind 1869, als 28-jarige inmiddels opgeklommen tot de rang van sergeant-majoor, mocht hij voor een kort verlof naar Nederland om in maart 1870 opnieuw naar Batavia af te reizen. Na zijn terugkeer in Nederlandsch Indië werd hij geplaatst bij het 1e Bataljon Infanterie om op 29 oktober 1872 te worden bevorderd tot adjudant-onderofficier, de hoogste rang die, dat gezien zijn vooropleiding, mogelijk was.

Vanaf 1874 trok het (K)NILten strijde tegen het onafhankelijke, op Noord-Sumatra gelegen, sultanaat Atjeh dat Nederland maar al te graag aan zijn rijk wilde toevoegen. De aanleiding tot de ruim 40 jaar durende Atjeh Oorlog (1873-1914) lag in de onenigheid over het ten noorden van Atjeh gelegen sultanaat Siak. In 1858 had Nederland een verdrag gesloten met de heersende sultan van Siak waardoor Nederland de soevereiniteit over dat gebied zou krijgen. Dat was echter tegen de zin van de sultan van Atjeh die zijn macht juist naar het zuiden uit wilde breiden.

In 1874 werden liefst 233 officieren en 6.354 manschappen, waaronder Van Weenen en zijn adjudant Jan de Leeuw, ingezet om Atjeh de baas te worden. Maar de inwoners gaven zich niet snel gewonnen. In dat jaar 1874, veertig jaar voordat de Atjehers zich min of meer gewonnen gaven, was de strijd voor Bernard van Weenen al voorbij. Dat nadat aan hem op 25 november 1874 de hoogste Militaire Willems-Orde 4e klasse, de hoogste Nederlandse dapperheidsonderscheiding was uitgereikt. 

Aan die uitreiking ging, op 26 juli 1874, een tragische gebeurtenis vooraf toen Van Weenen werd getroffen door een doordringend schot in de regterborst.

Zijn dienststaat 1) vermeldt over die gebeurtenis het volgende:

Mutatie betreffende Benoeming tot R.U.W.O 4e Klasse. 26 juli 1874. 

Het nemen van den door den vijand duchtig door den vijand versterkten kampong Soerian met de daarin gelegen bezetting. Bij een hevig vijandelijk vuur nadat de stok van zijn bataljonsvlag in zijne handen doormidden was geschoten met een opgeheven stuk vlaggestok vooruit te gaan, waarop hij door een doordringend schot in de borst nederzeeg. 

Wie was overigens deze niet-blanke adjudant Jan de Leeuw die wij op een afbeelding tegenkomen? In 1637 veroverden de Nederlanders, op de Portugezen, een deel van het huidige Ghana, het Koninkrijk Ashantie. Van daaruit vertrokken vervolgens via de West-Indische Compagnie vele duizenden slaven naar Amerika. 
Na het Congres van Wenen in 1815 was de slavenhandel formeel verboden en vanaf 1850 raakte het Afrikaanse Koninkrijk Ashanti door gebrek aan lucratieve (slaven)handel langzaamaan in verval. 
Maar er werd een alternatief gevonden. In plaats van mensen te ronselen voor de slavenhandel probeerden de Nederlanders Afrikanen over te halen als militair dienst te doen ‘in de Oost’. Als onderdeel van het (toen nog niet Koninklijk) Nederlandsch-Indisch Leger konden zij worden ingezet in de Indische archipel. Daar was voortdurend behoefte aan nieuwe militairen en zeker aan mensen die tegen het voor blanken zo ongezonde klimaat konden. Zo werd het Koninkrijk Ashanti tussen 1831 en 1872 dé wervingsplaats voor soldaten voor het KNIL, de Belanda Hitam (Zwarte Nederlanders).

De troepen werden ingezet bij het pacificeren van de bevolking, een eufemisme voor het aan het Nederlandse gezag onderwerpen van de lokale machthebbers. Dit met geweld pacificeren, letterlijk vertaald het brengen van vrede en rust, vergde een voortdurende aanwas van nieuwe militairen.

De laatste jaren komt steeds meer aan het licht waar dit ronselen van inwoners van Ghana toe leidde. Na de overdracht van Indië aan de Indonesiërs in 1949 vertrokken de KNIL-militairen naar Nederland. Onder hen niet alleen veel Molukkers maar ook nazaten van de Afrikaanse militairen die ongeveer een eeuw eerder vanuit Ghana naar Indië vertrokken.

Uiteraard had Jan de Leeuw oorspronkelijk een andere naam: hij was de zoon van Kwassie Hoeradoe en Manza. Maar alle Afrikanen kregen Nederlandse namen en hij kreeg zijn naam wellicht omdat hij zo dapper als een leeuw was. 
Op zijn dienststaat staat vermeld dat hij in de periode 1873-1874 zowel de Atjeh-medaille als het Eereteken Atjeh ontving. Er zijn overigens berichten op het internet dat een zekere Jan de Leeuw de Militaire Willems-Orde zou hebben ontvangen. Of dat deze Jan de Leeuw is of een ander (het laatste is meer waarschijnlijk) is nog niet geheel duidelijk.

De 33 jaar oude Van Weenen herstelde weliswaar van zijn verwonding maar aan zijn militaire loopbaan kwam een einde en op 25 november 1874 vertrok hij, gedecoreerd en wel, naar Nederland. 
Twee jaar later vestigde Bernard van Weenen zich in een pand aan de Kerkstraat in Tiel. Hij trok in bij de weduwe Sara Kahn, ook wel als Sarah geschreven, waarmee hij op 10 november 1876 in Tiel in het huwelijk trad.  

  • Sarah Kahn (Bodegraven 8 september 1844 – 19 april 1921 Rotterdam) 
    was winkelier van beroep en op 8 maart 1864 in Bodegraven getrouwd met 
  • Falk Manasse(n) (Tiel 3 juni 1838 – 17 juni 1872 Tiel), koopman van beroep. 

Op dat moment was Van Weenen spoorwegambtenaar. Daarna verdiende hij zijn geld als kantoorbediende en weer later vinden wij hem terug als fabrikant van sigaren. Hij was toen de compagnon van zijn stiefzoon, sigarenfabrikant Jacob Manassen.

Het bedrijf, bestaande uit de winkel en de fabriek van Van Weenen & Co, had de naam De Sumatraplant en was eerst aan de Kerkstraat en vanaf mei 1892 aan de Waterstraat 51 (het pand werd in de oorlog vernield) gevestigd. De opening van de goedlopende zaak was op een zaterdagavond om 8½ uur oftewel na afloop van de sabbat.

Na zijn tijd in Nederlandsch Indië bleef Van Weenen ook in Tiel, zoals dat toen door velen werd beschouwd, bezig met het bestrijden van onheil. 
Toen op 29 april 1899 brand ontstond in zijn fabriek bleef deze, dankzij het degelijk optreden van den heer B. van Weenen, beperkt tot het bovenste deel van de fabriek. Dit optreden was voor de Tielsche Assurantie Maatschappij, waarbij hij verzekerd was, aanleiding om Van Weenen in mei 1899 een prachtige spiegel aan te bieden.

De zaken gingen blijkbaar voorspoedig want in 1908 vroegen Van Weenen & Co een aankomend jongmensch voor het volgen van de opleiding plak- en sorteerkamer. Aanmelden moesten de kandidaten bij de Co: zijn in 1867 geboren en in 1942 in Hilversum aan een natuurlijke dood gestorven stiefzoon Jac. (Jacob) Manassen. 

Sarah Kahn bracht vanuit haar eerste huwelijk met Falk Manasse(n), koopman in tagrijnen (tweedehands scheepsbenodigdheden) drie kinderen in: Henriëtte, Jacob en Nathan.  

Deze Falk Manassen werd op 3 juni 1838 in Tiel geboren en overleed daar op 17 juni 1872. Hij ligt begraven op de Joodse Begraafplaats in Tiel, vak A, rij 9 nummer 14 (150). Zijn Hebreeuwse voornaam luidde overigens Eljakoem (God doet opstaan).  

Bernard van Weenen en Sarah Kahn kregen samen nog één dochter en drie zonen.

  • Anna 
    Tiel 26 mei 1877 – 1 april 1928 Poortugaal
  • Simon 
    Tiel 25 juni 1878 – 9 november 1942 Auschwitz 
    Samen met zijn vrouw Judith de Vries in hun woonplaats
    Rotterdam gearresteerd en vervolgens beiden in Auschwitz 
    vermoord.
  • Louis 
    Tiel 17 januari 1880 in Tiel – ???
  • Abraham 
    Tiel 20 juli 1884 – ?? ???? 1964 
    Hij trad in de voersporen van zijn vader: hij was kolonel bij
    de Generale Staf van het Nederlandse leger. Bij KB werd hij 
    1913 bevorderd tot 1e luitenant van het instructiebataljon.

Bernard van Weenen overleed onverwachts op 26 november 1908 op 67-jarige leeftijd. Een lange, uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, politie, overheid alsook andere belangstellenden bestaande begrafenisstoet trok door de Ambtmanstraat richting de Joodse begraafplaats aan de Voor de Kijkuit. Daar hield jonkheer Reuchlin een toespraak.  

Ter gelegenheid van de viering van het 125-jarig bestaan van de Militaire-Willems-Orde in mei 1940, bezocht zijn zoon de commandant van het 15e Depot Bataljon, majoor Abraham van Weenen, het graf van zijn vader. Bij aankomst trof hem een verrassing: de officieren van zijn bataljon hadden ervoor gezorgd dat het graf compleet was versierd met bloemen. Dat versieren met bloemen was overigens tegen de Joodse traditie in! Maar Zoo worden onze helden toch nog geëerd’ werd er geschreven! 

De weduwe Sarah van Weenen-Kahn vertrok, na het overlijden van haar man Bernard van Weenen in 1909, naar Rotterdam.  

Behalve de dienststaat 1) van Bernard van Weenen is ook een foto bewaard gebleven. Daarop is een zittende Van Weenen te zien met staande naast zich de Afrikaanse korporaal-fuselier (geweerschutter) Jan de Leeuw. Hij werd, volgens zijn dienststaat, in 1850 geboren in Ashanti in Afrika, nu een deel van Ghana.  

 1) Een dienststaat bevat een overzicht van de gehele loopbaan, plaatsingen, rangen, opleidingen en uitzendingen bij Defensie, dat inclusief ondersteunende stukken zoals certificaten en functiebenoemingen. 

Bernard van Weenen met zijn korporaal De Leeuw

De onderbouwing van het verkrijgen van Militaire Willems Orde