A X 7 – David Hes

David Abraham Hes

David Abraham Hes (Amsterdam 3 december 1798 – 5 mei 1878 Tiel) was de oudste van drie kinderen uit het orthodox Joodse gezin van Abraham Jacob Hes en Sara Meijer Levie. Deze Abraham Jacob (Aberle’) was zo gelovig dat hij in 1836 naar Israël vertrok om op tijd te zijn om daar, op de Olijfberg in Jeruzalem, begraven te kunnen worden. Zijn wens werd vervuld: in 1841 vond hij daar zijn laatste rustplaats.

David Hes werd opgeleid tot godsdienstleraar en werd in 1819 in het zuidelijk van de Maas gelegen plaatsje Lith aangesteld als onderwijzer aan de, toen nog door de Rijksoverheid (mee) bekostigde, Joodse school. Na zijn huwelijk op 25 juni 1819 in Lith met Hester van Dijk woonden zij kort in het noordelijk van de Maas gelegen Appeltern om zich in 1821 in Tiel te vestigen. Daar werd hij benoemd tot chazan (voorzanger) en rebbe (‘mijnheer’, leraar).
Dat het inkomen dat daaruit voortkwam niet voldoende was om zijn uiteindelijk kinderrijke gezin (negen van de tien kinderen overleefden het eerste levensjaar) te voeden blijkt uit het feit dat hij in het Tielse Bevolkingsregister ingeschreven stond als koopman. 

Het echtpaar kreeg de volgende kinderen: 

  • Jacob David
    Alphen 23 juni 1820 – 30 oktober 1820 Alphen
  • Roosje David
    Tiel 11 oktober 1821 – 21 november 1903 Den Helder
  • Betje
    Tiel 15 november 1823 – 16 januari 1830 Tiel
  • Mozes
    Tiel 30 juni 1826 – 29 december 1829 Tiel
  • Aaron David
    Tiel 5 oktober 1828 – 9 april 1909 Oss
    Hij was winkelier van beroep en twee maal getrouwd:
    – Antje Daniel van den Bergh op 6 april 1852 in Geffen
    – Greitje Salomons op 23 november 1881 in Rotterdam
  • Meijer David
    Tiel 18 december 1830 – 8 september 1873 Tiel
    Hij was bakker en godsdienstleraar van beroep
  • Isaac
    Tiel 12 februari 1833 – 14 januari 1891 Brooklyn USA
  • Samuel
    Tiel 12 mei 1835 – 24 januari 1913 Utrecht
  • Sara
    Tiel 15 april 1838 – 23 februari 1917 Rotterdam
  • Joseph David
    Tiel 27 september 1840 – 30 augustus 1922 Amsterdam
    Hij was onder meer godsdienstleraar met de status van rabbijn.
    Op 7 juni 1865 trad hij in Utrecht in het huwelijk met Naatje Koch
  • Doodgeboren naamloos kind
    Tiel 11 november 1842  

Vier dagen na de geboorte van hun elfde, dood geboren, kind overleed Hester Hes–van Dijk (Batenburg 10 februari 1798 – 15 november 1842 Tiel) (graf vak A – rij III – nummer 7).  

Zoals toentertijd gebruikelijk hertrouwde de weduwnaar David Hes, net als zoveel anderen die dit lot troffen, en dat zeker als er sprake was van een groot aantal kinderen, op zo kort mogelijk termijn om het gezin ‘draaiende te houden’.

Een half jaar later, op 10 mei 1843, trad Hes in Amsterdam in het huwelijk met de weduwe Jetta Polak (Amersfoort 15 mei 1803 – 3 januari 1876 Tiel).

Na haar dood in 1876 trouwde de toen 72-jarige Hes op 5 februari 1877 in Hilversum met Sara Callo (Nijkerk 28 maart 1812 – 6 juni 1895 Utrecht).

David Hes was van 1820 tot vlak voor zijn overlijden de onbetwiste geestelijk leider van de als traditioneel, anderen noemen het orthodox, bekend staande Kehila, de Kille (Hebreeuws respectievelijk Jiddisch voor een Joodse kerkelijke Gemeente) van Tiel. 
Officieel was dat alleen in geestelijk opzicht een leiderschap maar, op basis van de zeker in die tijd binnen de Joodse gemeenschappen sterk levensbepalende wetten en tradities, gold dat ongetwijfeld ook in tal van andere opzichten! 
Het ging daarbij om het zich houden de sabbatrust, de voorschriften betreffende de Joodse feestdagen en de spijswetten.

David Hes heeft de Joodse Gemeente vanaf 1821 ruim een halve eeuw jaar gediend als leider, chazan (voorzanger), sjocheet (ritueel slachter), het geven van godsdienstlessen, (bege)leider van huwelijken en overlijden en als moheel: de man die de besnijdenis toepaste op 8 dagen oude jongetjes.

De naam van David Hes is onlosmakelijk verbonden aan het door hem bijgehouden (en bewaard gebleven) besnijdenisregister waarin de namen staan van 437 acht dagen jonge jongens die door hem, in zijn functie van moheel, werden besneden.

Hes heeft in zijn tijd in Tiel verschillende voor de Kille belangrijke momenten meegemaakt en, ongetwijfeld, ook mee geïnitieerd.

In 1827 werd op Zandwijk grond aangekocht voor de aanleg van een Joodse begraafplaats waar begin 1928 de eerste levajalewaje in het Jiddisj, (begrafenis) plaatsvond.

In 1837 werd de eerste steen gelegd voor de begin 1839 ingewijde synagoge.

Tussen 1868 en 1877 maakte hij, nog net voor zijn overlijden in 1878, de uitbreiding van de begraafplaats mee.

Dat Hes, van beroep ‘koopman, was actief betrokken bij de realisatie van de nieuwe synagoge, de sjoel in het Jiddisj (de plek waar geleerd wordt, verwant aan het Duitse woord ‘Schule). Deze kwam in de plaats van verschillende in Tiel aanwezige ‘huissynagogen. Hun aanwezigheid blijkt uit de notariële akte d.d. 13 maart 1837 waarin het volgende werd vastgelegd:

Israel Jacob van Son, Samuel Jacob van Son, landeigenaren, Levie van de Kop, vleeshouwer, Abraham van Dijk, grossier in sterke dranken, Izaak Hijman Godschalkzoon, Izak Kok, Jacob Menasse, David Abraham Hes, Jacob Kok, de vijf laatste kooplieden, en Mozes Samuel van Veen, onderweizer, alle wonende te Tiel, zich verbinden om gedurende den tijd van tien jaren aan den tijdelijken penningmeester der sinagogen te Tiel jaarlijks te zullen betalen een som van honderd gulden.

(Omgerekend naar 2026, moet dit bedrag worden vermenigvuldigd met de factor 65 wat leidt tot een huidig bedrag van ca. € 6.500 per jaar).

Opvallend in de tekst is het gebruik van het meervoud ‘synagogen’: dat duidt er op dat er in Tiel meerdere huissynagogen moeten zijn geweest die in 1839 waarvoor het nieuw opgetrokken gebouw in de plaats kwam.  

Daarnaast wordt David Abraham Hes geen ‘godsdienstleraar’ genoemd maar ‘koopman’.

Traditioneel wordt op de matsevot (grafmonumenten) niet alleen lof toegezwaaid aan de overledene, maar ook wordt er vrijwel altijd gerefereerd aan zijn of haar (voor)ouders.
Daarnaast is de tekst niet alleen vaak beknopt maar worden ook nog eens afkortingen gehanteerd. Ook wordt er regelmatig verwezen naar uit de Tenach (de Joodse Bijbel) afkomstige teksten. De Tenach komt qua inhoud op hoofdlijnen overeen met het Christelijke Oude Testament en heeft de volgende onderdelen: de Thora (de wet; de vijf boeken van Mozes), Neviim (de Profeten) en Ketoeviem (de Geschriften). 

De Nederlandse vertaling van de tekst op de matseva van David Hes luidt (inclusief de noten met de verwijzingen):

En hij verkoos David zijn dienaar en nam hem weg ¹)   
Gedenkteken voor de ziel ²)  
Een man die opstond voor het leren ³)  

in het geloof ‘s avonds en in de ochtend zong hij een lied voor God in de hal van de Koning, hij hanteerde de pen van de schrijver vaardig 4),  
hij bezegelde Israëls kinderen in het heilige verbond 5),  
een rechtvaardig leraar voor onze gemeente gedurende 18 jaar, dat was de heer onze leraar en rabbijn David zoon van de ge’eerde heer Avraham Hes en de naam van zijn moeder was Rivka Sara het aandenken aan een rechtvaardige zij tot zegen 
hij overleed in goede grijsheid 6) op zondag 20 Iyar 7) 5638 

  1. Psalm 78:70 
  2. Naar Ezechiël 39:15 
  3. Naar Josua 1:8  
  4. Psalm 45:2 
  5. Hij was moheel = besnijder 
  6. Genesis 25:8 (e.a.) 
  7. Iyar is de 8e maand op de Joodse kalender en valt in de periode mei / juni 

Onderaan de matsevot (grafmonumenten) staat doorgaans een slotregel met de afkorting T.N.Ts.B.H.. 
Die letters staan voor 

Tehee Nafsjo / Nafsjà Tseroera Bitsror Hachajiem, vertaald als  
Moge zijn/haar ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwig leven.  

Deze tekst, uitgesproken bij iemands overlijden, vindt zijn oorsprong in het Bijbelboek I Samuel 25:29 waar Abigail, de tweede vrouw van David, tot haar man spreekt en zegt: 

Mocht een mens opstaan om u te vervolgen en u naar het leven staan, dan zal de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel der levenden bij de Eeuwige, uw God (… wehajeta nefesj adonie tseroera bitsror hachajiem …). 

David Hes

Twee pagina’s uit het Besnijdenisregister van David Hes