OB 23 – Monument ‘Bittere Tranen’

Tekst nog verder opmaken!!

Monument ‘Bittere Tranen’  

In januari 1950 werd dit monument, waarop de namen vermeld staan van de 29 leden van de Joodse Gemeente Tiel die slachtoffer werden van de Sjoa onthuld. 
Sjoa is het Hebreeuwse woord voor vernietiging. Het meestal gebruikte woord Holocaust is afgeleid van het Griekse woord voor rituele verbranding onthuld.

Het monument wordt bekroond door een Davidsster waarin de jaartallen 1940 – 1945 staan met daarnaast de woorden In Memoriam 

Daaronder in het Hebreeuws, met daar weer onder de Nederlandse vertaling, het eerste gedeelte van hoofdstuk 1 vers 16 uit het Bijbelboek ‘Klaagliederen: 

‘Over dit alles ween ik bittere tranen.
Mijn oog. Mijn oog. Het huilt zich uit in water.
Want verre is van mij een trooster
Die mij de moed hergeeft.
Mijn zonen zijn van hun geluk beroofd.
Want de overmacht verkreeg de vijand.’  

Dit uit vijf Klaagliederen bestaande Bijbelboek, in het Hebreeuws Eechaa (‘hoe’) genoemd, wordt toegeschreven aan de grote Jeremia.  

De Klaagliederen gaan over de verwoestingen en het leed die door de Babyloniërs, en met name door koning Nebukadnezer, werden veroorzaakt. Die hadden vooral gevolgen voor het koninkrijk Judea en daarbinnen gelegen stad Jeruzalem met zijn tempel. 

Het Bijbelboek Klaagliederen wordt ieder jaar zowel ’s avonds als ’s morgens in alle synagogen gelezen op de rouwdag Tisja be’Aaw. Deze dag is de negende van de maand av. 

Het eerste en het laatste slachtoffer 

Het eerste lid van de Joodse Gemeente Tiel dat slachtoffer werd van de Sjoa was de op dat moment 4 jaar oude en in Lienden woonachtige Elly Frank. Haar ouders en haar pleegzusje Ida Dasberg overleefden de oorlog.  

Izak Dasberg (geen familie van Ida) was de laatste Joodse inwoner van Tiel die slachtoffer werd vanwege het feit dat hij Jood was. Op 24 december 1944 werd hij, samen met vier andere, overigens niet-Joodse, inwoners van Tiel, als gijzelaar gefusilleerd. Of hij, als gemengd gehuwde, lid was van de Joode Gemeente Tiel is overigens onbekend.  

De achtergrondgegevens van hen waarvan de namen op het monument staan:

  • Jozef (Joop) Bartels
    Hilversum 26-4-1921 – 31 maart 1944 ergens in Midden-Europa.
    Hij woonde aan de Dr. Kuijperstraat 6 in Tiel, was van beroep kantoorbediende en werd tijdens zijn, samen met zijn neef Mozes (Moos) Cohen ondernomen, vlucht naar Zwitserland vlak bij de grens met dat land opgepakt.

    ‘De Commissaris van politie te Tiel verzocht opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Jozef Bartels, kantoorbediende, wonende in de Dr. Kuijperstraat 6 te Tiel. ‘Bartels, die van joodschen bloede is, was aangewezen voor plaatsing in het werkkamp Witte Brink te Hummelo. Hij is daarheen niet vertrokken; sedert 28 Aug. 1942 is hij spoorloos’. Met deze omschrijving werden joden aangeduid die waren ondergedoken.’
    Algemeen Politieblad, nr. 36, 10 september 1942, 1022, bericht 1830

    Op 10 november 1942 werd hij vanuit Westerbork op het 758 personen telende transport richting Auschwitz gesteld. Waarschijnlijk behoorde Bartels tot de 180 daartoe geselecteerden die de trein in Cosel (ook wel als Kosel geschreven) moesten verlaten om te werk te worden gesteld. De plaats Cosel ligt 80 kilometer ten westen van Auschwitz. Tussen 28 augustus en 12 december 1942 moesten daar 9000 voor werk geselecteerde gedeporteerden de betreffende 39 treintransporten verlaten. Daaronder 18 treinen die vanuit Westerbork waren vertrokken met in totaal 3500 voor werk geselecteerde mannen. Van hen overleefden 181 de oorlog. 


  • Samuel van Buuren 
    Tiel 1 april 1911 – 21 januari 1943 Auschwitz

    Zij woonden op het Plein 15 in Tiel en Van Buuren was koopman in oude metalen. Zij werden op 9 januari 1943 van huis opgehaald. Waarom zij eerder dan de andere nog in Tiel en regio aanwezige Joden werd opgehaald is (nog) onbekend.

    zijn vrouw

  • Mietje van Buuren-Goldsmid
    Goor 29 maart 1912 – 21 januari 1943 Auschwitz

    en Samuels zus

  •  Suzanna van Buuren
    Tiel 23-12-1920 – 21 januari 1943 Auschwitz

    Suzanna was op 9 april, toen haar broer en schoonzuster werden opgehaald, bij haar vriendin Jenny Heimans aan de Heiligestraat. Toen de politie zich daar meldde had zij zichzelf opgesloten op het toilet. Daar werd zij door Nederlandse politiemensen overgehaald ‘toch maar mee te gaan’. Zij werden op 18 januari 1943 op transport gesteld naar  Auschwitz. Het transport telde 748 personen die allen na aankomst werden vermoord.  


  • Rosina Cohen-Levie 
    Arnhem 28-12-1867 – 16 april 1943 Sobibor

    Rosina Levie was gehuwd met de in 1932 overleden Levie Abraham Cohen. Rosina woonde in Tiel in bij een van haar twee kinderen. 
    Rosina Cohen-Levie was in Utrecht ondergedoken maar werd verraden door haar Tielse buurman. Haar kleindochter zat in hetzelfde huis maar wist te ontkomen door zich in een kast te verbergen. 

    Een van haar kinderen was de kunstschilder Mozes (Moos) Cohen (Tiel 4 maart 1901 – 7 november 1942 Auschwitz). 
    Hij ging in 1921 naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam waar hij zijn studie in 1928 voltooide. 
    Hij gaf daarna tekenles en kunstgeschiedenis aan de Hendrick de Keyserschool in Amsterdam en maakte tekeningen in opdracht. 
    In 1938 huwde hij een niet-joodse vrouw. Tijdens de oorlog werd hij tekenleraar aan de joodse HBS. 
    Van Mozes Cohen, waarvan een distributie stamkaart bewaard is gebleven, werkte mee aan de vervalsing van persoonsbewijzen. Begin 1942 gaf Cohen nog een interview aan Het Joodsch Weekblad, maar later dat jaar vluchtte hij met zijn vrouw naar Zwitserland. Aan de Frans-Zwitserse grens, nabij het Franse plaatsje Gex, werd hij samen met zijn neef Jozef Bartels op 28 september 1942 opgepakt en opgesloten in kamp Drancy bij Parijs. Op 4 november 1942 werd hij met transport nummer 40 naar Auschwitz overgebracht waar hij op 9 november 1942 op 41-jarige leeftijd werd vermoord. Zijn vrouw overleefde de oorlog. 
    Postuum werd Cohens werk onder meer getoond bij de herdenkingstentoonstellingen ‘Kunst in het harnas’ (1945) in het Stedelijk Museum Amsterdam, ‘Kunst in Vrijheid’ (1945) in het Rijksmuseum en ‘Rebel, mijn hart’ (1995) in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. 
     

-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • David Cohen 
    Amersfoort 1 juli 1898 – 11 juni 1943 Sobibor

    van beroep vertegenwoordiger. Hij was een van de drie leden van het bestuur van de Joodse Gemeente Tiel die op 1 april 1943 de notariële akte tekende waarbij het onroerend goed dat eigendom was van deze Kehilla (Kille) van Tiel in bewaring werd gegeven bij de Fa. Sijsma & Zn. Na de oorlog kreeg (het restant van) de Joodse Gemeente haar eigendommen terug.
     

zijn vrouw
 

  • Grietje Cohen-Zendijk
    Leeuwarden 14 oktober 1900 – 11 juni 1943 Sobibor

    van beroep verpleegkundige bij het Protestants Christelijke Bethesda Ziekenhuis in Tiel

    en hun zoon
     

  • Jacob Herman Cohen
    Amersfoort 31 oktober 1930 – 11 juni 1943 Sobibor

    leerling van de School van Wage aan de Voor de Kijkuit.

    Het gezin woonde aan de Papesteeg 226 in de toenmalige gemeente Wadenoijen, nu Prinses Beatrixlaan 38 in de gemeente Tiel. 
     

Het gezin werd op 9 april 1943, samen met de andere niet ondergedoken Tielse Joden door de door de Tielse Joodse Raad georganiseerde en betaalde bus van de firma Verhoeks opgehaald op de hoek van het Jodenstraatje en de Westluidensestraat en naar Vught overgebracht. 
Vanuit Vught werd het gezin op 7 juni 1943 met het zogenoemde ‘Kindertransport’ overgebracht naar Westerbork om vandaar op 8 juni 1943 naar Sobibor te worden vervoerd. Op 11 juni 1943 werden alle 3017 gedeporteerden in Sobibor vermoord.
 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • Izak Dasberg 
    Haarlem 27 december 1893 – 24 december 1944 Tiel

    Dasberg was gehuwd met de niet-Joodse Duitse vrouw Elisabeth Rommel en meubelmaker van beroep.
    Op 7 april 1943 werd hij door de Tielse politie gearresteerd ‘en overgebracht naar de Sicherheitspolizei te Arnhem terzake het plegen van een strafbaar feit’. Vanuit Arnhem werd hij naar Westerbork gebracht maar dankzij de inspanningen van zijn vrouw werd hij op 5 augustus 1943 uit Westerbork vrijgelaten. Als ‘tegenprestatie’ voor zijn vrijlating moest hij zich, als gemengd gehuwde, laten steriliseren.
    Samen met vier andere Tielse mannen werd Izak Dasberg op 24 december 1944 op de binnenplaats van de Tielse gevangenis door de Duitsers gefusilleerd, dat als represaille. 
    Het verzet had enkele dagen eerder een vrouw die net was gearresteerd, uit de gevangenis bevrijd. De Duitsers arresteerden toen negen Tielse mannen en dreigden hen te doden als de daders van de bevrijdingsactie zich niet zouden melden. Toen dit niet gebeurde, werden vijf van de negen mannen doodgeschoten. Izak Dasberg werd dezelfde dag samen met de andere mannen op de begraafplaats van Zoelen (een dorpje even buiten Tiel) begraven.
    Naar verluidt werd Dasberg door de Duitse commandant bewust uitgekozen omdat hij Joods was. 
     

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • Jacob Elburg  

Maarssen 3 mei 1877 – 14 mei 1943 Sobibor

Elburg was (o.a.) godsdienstleraar en chazan bij de Joodse Gemeente Tiel waar hij in 1921 begon. In maart 1943 heeft hij wanhopig geprobeerd bij hem bekende Tielenaren een onderduikadres te vinden, maar niemand durfde het aan hem onderduik te verlenen. 
De oorzaak was tweeledig: onderduik vinden in de eigen dichtbevolkte woonplaats was vanwege de daaraan verbonden risico’s altijd en overal lastig en riskant terwijl Elburg daarnaast, getuige zijn kaart uit de Cartotheek van de Joodse Raad, die ook zijn verblijf in Westerbork registreerde, niet gezond was. 

Hij werd op 9 april 1943, samen met de andere nog in Tiel, Ophemert en Ochten woonachtige Joden opgehaald en overgebracht naar Kamp Vught. Op 9 mei 1943 werd hij overgebracht naar Westerbork vanwaar hij op 11 mei 1943, met 1445 anderen, op transport werd gesteld naar Sobibor. Daar werd hij op 14 mei 1943 vermoord. 
Slechts één van de 1446 leden van dit transport overleefde de oorlog.

en zijn dochter
 

  • Johanna Elburg 
    Hilversum 27 december 1898 – 11 juni 1943 Sobibor

    Johanna vertrok op 2 november 1934 vanuit Tiel naar Den Haag, waar zij huishoudster werd in de dependance van het Israëlitisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis in de Daendelstraat 75 in Den Haag. Na het overlijden van haar moeder ging ze bij haar inmiddels op leeftijd zijnde vader in Tiel wonen. 

 

Zij werd op 9 april 1943, samen met de andere nog in Tiel, Ophemert en Ochten woonachtige Joden opgehaald en overgebracht naar Kamp Vught. 
Vanuit dat Konzentrationslager Herzogenbusch werd zij op 7 juni 1943, met het zogenoemde ‘Kindertransport’, overgebracht naar Westerbork. 
Vanuit dat Durchgangslager werd zij op 8 juni 1943 naar Sobibor vervoerd om daar op 11 juni 1943 als een van alle 3017 gedeporteerden te worden vermoord.
 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-= 

 

  • Salomon David Frank
    Echteld 8 oktober 1902 – 9 juli 1943 Sobibor

    Salomon David Frank had vanaf 1934 een winkel in manufacturen aan de Ambachtstraat 7 in Ochten (gemeente Echteld) en nam volop deel aan de activiteiten binnen de dorpsgemeenschap. Enkele door hem gemaakte filmopnamen zijn bewaard gebleven. Zoals van een vakantiereis door het door nazivlaggen gedomineerde Duitsland, ijspret in de mobilisatiewinter 1939/1940 en kersen eten in de bongerd.
     

zijn vrouw
 

  • Maria-Anna Frank-de Jong
    Waspik 16 september 1902 – 11 juni 1943 Sobibor

    en hun dochters 
     

  • Betty Ida Frank
    Echteld 29 mei 1932 – 11 juni 1943 Sobibor
     
  • Daatje Frank
    Echteld 23 maart 1936 – 11 juni 1943 Sobibor
     

Betty Ida, Datje en hun ouders werden op 9 april 1943, samen met de andere nog in Tiel, Ophemert en Ochten woonachtige Joden opgehaald en overgebracht naar Kamp Vught 

Mensen uit Ochten vertelden in een TV-documentaire onder de titel ‘De andere familie Frank’, uitgezonden in de reeks ‘Andere Tijden’, hoe de beide meisjes opgewonden waren omdat zij een busreis gingen maken. Achteruit kijkend, zittend op de achterbank van de bus, zwaaiden zij naar de inwoners van het dorp die hen vaarwel zeiden. 

  

Vanuit dat Konzentrationslager Herzogenbusch werd zij op 7 juni 1943, met het zogenoemde ‘Kindertransport’, overgebracht naar Westerbork. Vanuit dat Durchgangslager werd zij op 8 juni 1943 naar Sobibor vervoerd om daar op 11 juni 1943 als een van alle 3017 gedeporteerden te worden vermoord. 

 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • Esther Jeannette Antoinette (‘Elly’) Frank 
    Lienden 19 december 1937 – 17 september 1942 Auschwitz

    Elly woonde met haar vader Hartog Salomon Frank, haar moeder Jacoba Frank–van Dijk en haar pleegzusje, later aangenomen dochter, Elisabeth Dasberg in Lienden. 
    Hartog Frank en zijn vrouw runden een manufacturenzaak in de Dorpsstraat die veel van hun tijd in beslag nam. Daarom werd Ellie een groot deel van de dag verzorgd door het dienstmeisje Judith van de Berg. Tussen Elly en Judith groeide een hechte band. Aan die band kwam ook geen einde nadat het niet-Joden op 1 januari 1942 werd verboden voor Joden te werken. 

In het voorjaar van 1942 kreeg Hartog Frank het bevel zijn manufacturenwinkel te sluiten. Hij en zijn vrouw werden werkloos. 
In augustus van dat jaar 1942 kreeg burgemeester Kamp van het arbeidsbureau in Tiel het verzoek om alle namen van de joden in zijn gemeente door te geven. Net als vrijwel alle andere burgemeesters in ons land voldeed hij aan dat verzoek. 

Hartog Frank ging daarop op zoek naar een onderduikadres. Daarbij kwamen steeds de grotere zorgen over Elly aan de orde. Zij vreesden dat de jonge Elly de beperkte leefruimte in de onderduik niet aan zou kunnen. Bovendien ging het echtpaar ervan uit dat de Duitsers een meisje van vier wel met rust zouden laten. 
Elly werd achtergelaten onder de hoede in de zorg van Judith van de Berg en uiteindelijk kon het echtpaar Frank met Elisabeth een onderduikplek vinden op de zolder van de Rooms-Katholieke kerk in Beneden–Leeuwen. Zij overleefden de oorlog. 
Dat in tegenstelling tot Elly. Toen burgemeester Kamp te horen kreeg dat zich een Joods meisje in zijn gemeente bevond vroeg hij de Duitse autoriteiten of Elly in Lienden mocht blijven. Toen dat verzoek werd afgewezen werd Elly opgehaald door de burgemeester zelf die zich liet vergezellen door een politieman. Via Den Haag en Westerbork ging Elly samen met 901 anderen 
op transport naar Auschwitz. Op 17 september 1942 werd zij ‘in de omgeving van Auschwitz’ vermoord. 
Elly was het eerste lid van de Joodse Gemeente Tiel dat slachtoffer werd van de Sjoa (Holocaust).  
 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • David Gersons 
    Tiel 7 november 1872 – 23 juli 1943 Sobibor

    David Gersons was weduwnaar van Henriette Daniël (Krefeld 7 november 1877 – 13 februari 1936 Tiel) en was na het overlijden van zijn vrouw verhuisd naar het adres Heiligestraat 6 in Tiel. 
    Zijn Duitse dienstbode Anna Wiedmaier was vanaf 1 september 1936 intern, ofwel wonend in hetzelfde huis als de bewoner(s) van het huis. 
    Tussen 1920 en 1940 had David samen met zijn zoons een zeer succesvolle internationale handel in huiden opgebouwd. Hij behoorde tot de voormannen binnen de Joodse Gemeente Tiel en was meer dan 30 jaar penningmeester. 

    In januari 1943 dook Gersons onder nadat hij bericht had ontvangen dat hij zich in Amsterdam moest melden. 
    Hij vertrok voor zijn eerste onderduikadres naar de familie Maquelin aan de Reestraat 8 in Nijmegen. Daar bleef hij 14 dagen vanwaaruit hij naar het Limburgse Linne vertrok. 
    In februari 1943 ging hij vanuit Linne naar Batenburg in de Betuwe. Maar ook daar kon hij niet langer blijven en in juni 1943 keerde hij terug naar de familie Maquelin aan de Reestraat. Van de Reestraat vertrok Gersons daarna naar de familie Van der Molen aan de Hazenkampseweg in Nijmegen.  

Het feit dat Gersons als onderduiker regelmatig van adres veranderde was redelijk normaal: lang niet alle onderduikadressen bleken op termijn veilig genoeg en daarmee ‘houdbaar’ te zijn. 
Vaak voorkomende oorzaken waren buren die wat in de gaten hadden gekregen, zoals door beweging van gordijnen terwijl de bewoners afwezig waren en ‘gepraat’ in de buurt. Maar niet zelden was ook het gedrag van de onderduikers zelf schuld aan het regelmatig van adres moeten veranderen. 
Veel onderduikers zaten langdurig eenzaam opgesloten in een kleine ruimte en waren zij onderworpen aan strikte regels. Zo mochten zij de afwezigheid van de bewoners niet door de kamer met vaak krakende vloeren lopen en mochten dan niet naar het toilet. 
Ook een rol speelde dat er lang niet altijd een ‘klik’ was tussen het ‘gastgezin’ en de onderduikers.  

Bij Gersons speelde wellicht ook een rol dat hij gewend was ‘de ruimte te hebben’ en dat hij er niet tegen kon opgesloten te zitten.  

Een extra verzwaring was dat voor Joden, waarvan de persoonsbewijzen waren voorzien van een J en hun bovenkleding van een zogenaamde Jodenster, vanaf 5 juni 1943 een volledig reisverbod van kracht werd. 
 

Het toch gaan reizen betekende het nemen van een groot risico. Een extra risico op herkenning gold er voor bekendere personen. En dat laatste overkwam David Gerons op het station in Nijmegen. 

Op 5 juli 1943 wilde hij vandaar richting Batenburg vertrekken en hij waande zich ongetwijfeld al veilig toen hij in de trein zat. Maar hij had buiten de waard van de Nederlandse handlangers van de Duitsers had gerekend: hij werd herkend door Melchior Verstegen, de banleider van de NSB in Nijmegen waarvan hij sinds 1939 lid was. Dat overigens, zoals Verstegen later verklaarde, niet voor de eerste keer. 

Volgens diens in 1948 afgenomen verhoor over de arrestatie van Gersons, had Souverein tegen Verstegen gezegd: “Dat is een Jood. Wij hebben hem al meermalen met de trein zien vertrekken en die man is steeds in overtreding, daar het thans verboden is voor Joden, per trein te reizen”.
 

Omdat Verstegen bang was voor een negatieve melding naar hogerhand van Souverein heeft Verstegen op diens verzoek de Tielse NSB-er De Ruiter, die ook op het station was, attent gemaakt op de in de trein zittende Gersons. 
Omdat Verstegen Gersons kende ging Souverein samen met De Ruiter naar de trein waar De Ruiter Gersons op die 5e juli 1943 arresteerde.
 

Gersons kwam op 15 juli 1943 in Westerbork. Slechts enkele dagen later, op dinsdag 20 juli 1943, vertrok hij, samen met 2208 anderen, richting Sobibor. Daar werd hij, samen met alle anderen, op 23 juli 1943 vermoord. 

Het was overigens de laatste trein die vanuit Westerbork dit Vernichtungslager Sobibor als eindbestemming had.  

 

De in Nijmegen wonende vroegere huishoudster van Gersons, (de Duitse) Anna Wiedmaier werd, eveneens door De Ruiter, op dezelfde dag als Gersons gearresteerd. 
Ook de onderduikgevers Maquelin en mevrouw Van der Molen werden op die dag gearresteerd. Alle 3 werden overgebracht naar het bureau te Nijmegen en hebben daar 3 dagen in een cel gezeten. Ze werden vervolgens overgebracht naar de SD te Arnhem waar ze werden verhoord. Maquelin werd dezelfde dag vrijgelaten omdat Anna Wiedmaier alle schuld betreffende het onderduiken van Gersons op zich nam. 

Gersons, mevrouw Van der Molen en Anna Wiedmaier werden 
vervolgens overgebracht naar het Huis van Bewaring in Arnhem. 

Daar hebben mevrouw Van der Molen en Wiedmaier gevangen gezeten tot zij op 30 juli 1943 werden vrijgelaten. 

Wiedmaier verklaarde tijdens een verhoor dat zij had gezien dat De Ruiter bij de SD te Arnhem een beloning voor de ‘vangst’ van Gersons had ontvangen. Zij dacht dat het een briefje van f 25 was. 

Wiedmaier verklaarde toen tevens dat zij van Gersons had gehoord dat De Ruiter hem had verraden, andere namen waren haar niet bekend. 

 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-= 

 

  • Rika van der Horst 
    Lienden 8 maart 1877 – 27 november 1942 omgeving Auschwitz

    De in de Sint Josephstraat 9 in Tiel wonende alleenstaande Rika verdiende haar geld als koopvrouw en zij ging met haar hondenkar letterlijk ‘de boer op’. 
    Zij was de enige van de Tielse Joden die op 17 november 1942 werd opgehaald. Tijdens het transport van haar huis naar het politiebureau stond zij in de laadbak van een, naar verluidt gemeentelijke, vrachtauto.
    Vanuit Tiel werd zij overgebracht naar Westerbork. 
    Op dinsdag 24 november 1942 werd zij, samen met 708 anderen, waaronder 110 Joodse Nijmegenaren die bij de ook daar op 17 november gehouden razzia werden opgepakt, overgebracht naar Auschwitz. Daar werden allen, op 70 personen na die bij Kosel / Cosel de trein moesten verlaten om daar te werken, na aankomst vermoord.  

 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • Izaäk Kalker 
    Varik 2 maart 1883 – 14 mei 1943 Sobibor
    Izaäk (ofwel Izak) Kalker en Maria van Blijdestijn hadden vier kinderen: 
     
  • Mozes Levie (roepnaam Mopie) 

Ophemert 8 maart 1926 – 23 juli 1943 Sobibor 
  

  • Antje Jeannette (roepnaam Annie)  

Ophemert 4 april 1929 – 14 mei 1943 Sobibor

 

en de twee kinderen die de oorlog hebben overleefd.  

 

  • Rachel (roepnaam Ro)
    Ophemert 16 april 1922 – 9 januari 2018 Ophemert
     
  • Judith 
    Ophemert 28 juli 1923 – 29 maart 2001 Oss
     

Het gezin woonde in Ophemert waar Izaäk Kalker een koosjere slagerij had aan de Waalbandijk. Streng orthodoxe Joden in de regio kozen ervoor vlees van Kalker te betrekken in plaats van bij hun, eveneens koosjere plaatselijke slager. 

Izaäk, zoon van Mozes Levie Kalker en Rachel Meijer, trouwde op 12 Juli 1921 in Ophemert met Maria van Blijdenstijn, een dochter van Hijman van Blijdenstijn en Judith Docters. Zij was geboren op 5 januari 1890 als derde in het gezin van zes kinderen.

Het echtpaar Kalker woonde aan de Waalbandijk in Ophemert. Het hele gezin werd op 9 april 1943, in de vanuit Ochten via Tiel vertrokken bus van Verhoeks, weggevoerd naar het concentratiekamp Vught.  

Dit nadat de burgemeester van Ophemert tevergeefs had geprobeerd de familie te behoeden voor deportatie. 

Op 8 mei 1943 werden Izak Kalker, zijn vrouw Maria van Blijdenstijn en hun jongste dochter Antje Jeannette Kalker vanuit Vught, met het beruchte ‘Kindertransport’ naar Westerbork overgebracht. Antje Jeannette verbleef daar (getuige de van haar bewaard gebleven kaart uit de Cartotheek van de Joodsche Raad, uiteindelijk een soort kampkaart) in barak 58, net als mogelijk ook haar ouders. 
Enkele dagen later, op 11 mei, werden zij op transport gesteld naar Sobibor. 
Bij aankomst aldaar op 14 Mei 1943 werden Izak Kalker, zijn vrouw Maria van Blijdenstijn en hun dochter Antje Jeannette Kalker onmiddellijk in de gaskamers vermoord.

De dochters Rachel en Judith Kalker werden in Vught ingedeeld bij het Philips Kommando 
De werkplaats voor het Philips-Kommando in Kamp Vught was op 22 februari 1943 in gebruik genomen en in april van dat jaar begon de productie. Er werden toen twintig politieke gevangen tewerkgesteld om materiaal te sorteren uit de gebombardeerde Philipsfabriek. Zij werkten in de ‘Philips Speciale Werkplaats B677’, een barak met enkele tafels en banken. 
De producten die gefabriceerd werden waren voornamelijk zogenaamde kriegswichtige producten (producten die belangrijk waren in de oorlog) maar werd er ook geproduceerd wat niet ‘kriegswichtig’ was zoals scheerapparaten, zaklampen en paperclips. De producten werden nogal eens gesaboteerd en de productiviteit was zo laag dat Philips er stevig verlies op zou hebben geleden.  

De kampbewakers mochten de werkplaatsen van Philips niet betreden omdat dit het werkproces zou verstoren. De werkbarakken waren warm, droog en beschut en de werkers kregen ook een door Philips betaalde warme maaltijd, de zogenaamde ‘Philipsprak’ 

Om meer Joodse vrouwen aan het werk te krijgen bij het Philips-Kommando werd de Duitsers verteld dat radiobuizen alleen gefabriceerd konden worden door vrouwen met fijne vingers. Om de juiste werknemers hiervoor te vinden, moesten de vrouwen medisch gekeurd worden. Een arts die was betrokken bij het complot, koos voor dit werk alleen Joodse vrouwen uit.  

Uiteindelijk werden alle toen aanwezige Joodse werkers van het Philips-Kommando op 2 juni 1944 naar Auschwitz gedeporteerd.  

 

Na aankomst en verblijf in dat kamp werd deze groep geruime tijd door Duitsland gesleept. Uiteindelijk werden zij in Noord Duitsland bevrijd door een actie van het Zweedse Rode Kruis en na de oorlog keerden beiden, verzwakt, terug naar Ophemert. 

zijn vrouw
   

  • Maria Kalker-van Blijdenstijn
    Ophemert 5 januari 1890 – 14 mei 1943 Sobibor

    Maria van Blijdenstijn was de dochter van Hijman van Blijdenstijn en Judith Docters waarvan het huwelijk in 1908 werd ontbonden. 
    Opvallend op het graf van haar moeder Judith Docters is de grote zerk (matseva) op de Joodse begraafplaats van Tiel met een tekst waarin de dankbaarheid van (vier van) haar (vijf) kinderen jegens hun moeder tot uiting komt:  

 

HIER RUST 

ONZE LIEVE MOEDER 

HENRIETTE DOCTERS 

GEB. TE OIRSCHOT 2 AB 5615 

OVERL. TE OPHEMERT 2 TIJWIS 5678 

HARE DANKBARE KINDEREN 

ANTJE _ MIETJE _ JEANNETTE _ IZAK
 

        en hun zoon en dochter
 

  • Mozes Levie Kalker
    Ophemert 8 maart 1926 – 23 juli 1943 Sobibor

    Vanuit het Kamp Vught werd hij tewerkgesteld in het Buiten Kommando Moerdijk om na terugkomst in Vught op 3 juli 1943 te worden doorgestuurd naar Westerbork, waar hij verbleef in barak 61. 
    Op 20 juli 1943 ging hij met de 19e en laatste trein die erheen ging van Westerbork naar Sobibor. Daar werd hij direct na aankomst op 23 Juli 1943 in de gaskamers vermoord. 

 

  • Antje Jeannette Kalker
    Ophemert 4 april 1929 – 14 mei 1943 Sobibor
     

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=
 

  • Samuel de Winter 
    Druten 11 april 1878 – 16 april 1943 Sobibor

    De Winter was koopman van beroep en het echtpaar woonde aan het Plein nummer 3.

    en zijn vrouw
     

  • Roosje de Winter-Oppenheimer 
    Veghel 4 april 1874 – 16 april 1943 Sobibor
     

Het echtpaar Salomon en Roosje de Winter woonde Plein nr. 3 maar had een winkel in manufacturen aan de Westluidensestraat 27 (E 16): ‘De Volkswinkel’ (het pand bestaat niet meer).  

Eén keer, op 12 maart 1923, stond er in een advertentie dat men op zondag ‘den geheelen dag geopend’ was maar in latere advertenties meldde men dat zondag om 14 uur het doek omhoog werd getrokken zodat men in de etalage kon kijken. Verkoop was er vanaf ‘Maandagmorgen 9 uur!’ Het tekent het schipperen tussen enerzijds de sluiting op sabbat, de zaterdag, en het respecteren van de zondag, de algemeen gehanteerde rustdag.
  

Het oudere (‘zestigers’) echtpaar De Winter werd bij de 2e razzia in Tiel, op 9 april 1943, niet via Vught, zoals alle andere Joodse bewoners van de regio die in achtereenvolgens Ochten, Tiel en Ophemert werden opgehaald, maar rechtstreeks naar Westerbork overgebracht. Daar werd hun aankomst op hun kaart uit de Cartotheek van de Joodsche Raad, uiteindelijk een soort kampkaart, geregistreerd.
 

Op 13 april 1943 werden zij, samen met 1.202 andere mannen, vrouwen en kinderen, in een lange goederentrein naar het Vernichtungslager Sobibor overgebracht waar allen direct na aankomst werden vermoord. De trein volgde waarschijnlijkheid het traject Groningen, Bremen, Hamburg, Berlijn, Breslau (nu Wroclaw), Lódz, Lublin en tenslotte Sobibor. 
 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-= 

 

  • Samuel de Winter 
    Tiel 24 maart 1897 – 11 juni 1943 Sobibor

    Het gezin woonde boven hun winkel, ‘Het Lederhuis’ genaamd, aan het Jodenstraatje 1. Op de plek waar tot het voorjaar van 1945 het pand stond ligt nu de Damstraat. In het straatbeeld wordt sinds 2026 in het straatbeeld aangegeven hoe het Jodenstraatje en de Westluidensestraat indertijd op elkaar aansloten.

    De Winter deed veel aan marketing en adverteerde vaak door middel van gestencilde brieven. Behalve voorzitter en secretaris van de Joodse gemeente Tiel was hij in 1943 ook voorzitter van de plaatselijke afdeling van de Joodsche Raad
    Namens de Kehilla, Joodse Gemeente, van Tiel was hij op 1 april 1943 één van de drie ondertekenaars van de notariële akte ‘waarbij het onroerend goed, dat eigendom was van de Joodse Gemeente Tiel, in bewaring werd gegeven bij de Fa. Sijsma & Zn.  

Van de beide zonen zijn foto’s en schoolrapporten bewaard gebleven. 

en zijn vrouw
 

  • Henriëtte de Winter – Polak 
    Amsterdam 1 juni 1897 – 11 juni 1943 Sobibor

    en hun zonen
     

  • Robert de Winter 
    Tiel 24 september 1928 – 11 juni 1943 Sobibor
     
  • Louis Salomon de Winter 
    Tiel 28 mei 1934 – 11 juni 1943 Sobibor

    en Samuels ongehuwde zuster
     

  • Amalia de Winter 
    Tiel 12 april 1898 – 22 oktober 1943 Auschwitz

    Zij was kantoorbediende van beroep en woonde in bij haar broer en schoonzuster.  

 

Amalia de Winter is (waarschijnlijk) opgepakt terwijl zij was ondergedoken. Hoe dat in zijn werk is gegaan is onbekend. Opvallend is dat op haar kaart uit de Cartotheek van de Joodsche Raad, uiteindelijk een soort kampkaart, uit Westerbork is aangegeven dat zij op 23 september 1943 werd geregistreerd met de vermelding ‘met Samuel 24.3.97 (broer)’
Maar op die datum was haar broer Samuel al op 11 juni 1943 in Sobibor vermoord.
Amalia werd op 19 oktober 1943 op transport gesteld en werd op 22 oktober in Auschwitz vermoord. 

 

Het gezin van vader, moeder en de twee zonen maakte deel uit van het zogeheten ‘Kindertransport’
Vanuit het Konzentrationslager Herzogenbusch in Vught werden zij op 7 juni 1943, met het zogenoemde ‘Kindertransport’, overgebracht naar Westerbork. Vanuit dat Durchgangslager werden zij met 3012 anderen op 8 juni 1943 naar Sobibor vervoerd om daar op 11 juni 1943 te worden vermoord.
 

 

=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=-=